Dag 24 ( Camino dag 4): La Franca – Het laatste bed
Om 7:30 uur gaan we weer op pad en laten we Comillas achter ons. Het is een heerlijke, frisse ochtend. In de verte doemen de bergen op, terwijl de dauw langzaam opstijgt uit de groene vlaktes. We lopen het stadje uit over een hele lange, brede brug. Wat eens een machtige rivier moet zijn geweest, is nu gereduceerd tot een drooggevallen bedding met slechts een paar overgebleven plassen. Het is een prachtig, maar tegelijkertijd verontrustend gezicht als je bedenkt dat al dat stromende water verdwenen is.
Het zet ons aan het denken, en onderweg komen de gesprekken op gang over de impact van de mens op de natuur. In de bossen hier is heel veel eucalyptus aangeplant voor de papierindustrie. Het is voor ons een bekende geur uit Portugal, maar de bomen horen hier oorspronkelijk niet thuis. Omdat ze enorm veel vocht onttrekken aan de bodem groeit er niks onder, en door hun droogte vliegen ze ontzettend snel in brand — wat de vele bosbranden in de regio verklaart.
De route van vandaag valt ons zwaar. We moeten steile heuvels beklimmen en de zon begint al in de vroege ochtend behoorlijk te branden. Uiteindelijk bereiken we een klein dorpje met een schattig kerkje, een waterpunt en een pleintje waar vroeger jeu de boules werd gespeeld, maar dat nu volledig overdekt is met mos. We houden een korte pauze op het muurtje om ons fruit op te eten en wat te stretchen. We hebben inmiddels ontdekt dat tussendoor rekken essentieel is voor de spieren en het lopen een stuk aangenamer maakt.

Na de pauze vervolgen we onze weg. De route is niet alleen steil en heuvelachtig, maar voert ook regelmatig over geasfalteerde wegen. Gelukkig wisselt dat af met prachtige natuurgebieden, waar we een mooi uitzicht hebben op de bergen en af en toe de zee aan onze rechterhand zien glinsteren.
Als we weer een kiezelpad inslaan met aan weerszijden struiken, vertelt Carmen dat ze heeft opgezocht wat een vlucht van Spanje naar Nederland kost: slechts € 98,-. Dat is de helft van de prijs van een Flixbus-ticket. We zijn er een beetje door ontnuchterd. Ik vraag haar hoe het kan dat vliegen zoveel goedkoper is, en volgens haar komt dat doordat kerosine zwaar gesubsidieerd wordt. Het is iets wat we niet begrijpen: waarom wordt zoiets milieuonvriendelijks gesubsidieerd, in plaats van dat het geld in het openbaar vervoer zoals treinen en bussen wordt gestoken?
De weg leidt ons opnieuw door een klein dorpje met — hoe kan het ook anders op de camino — een kerkje. Omdat het inmiddels erg heet is geworden, zoeken we de schaduw op en gaan we op de stenen bank onder het afdak van de kerk zitten. Het is er heerlijk koel en er waait een aangenaam briesje. Vlakbij bevindt zich een waterpunt waar we onze flessen bijtanken. Voordat we verder lopen, knopen we doeken over onze hoeden en schouders om ons beter tegen de felle zon te beschermen.

Onze spieren worden flink op de proef gesteld op de steile klimmen. Door de hitte valt het vandaag echt niet mee. Maar als we eenmaal boven op een berg staan, worden we beloond met een adembenemend uitzicht: aan de linkerkant de rotsachtige bergketens die zich uitstrekken tot aan de horizon, en aan de rechterkant de azuurblauwe zee.

We naderen San Vicente, een wat grotere stad met een strand waar volop gezwommen wordt. Tijd voor een pauze. We zoeken een terrasje op, bestellen een alcoholvrij biertje en laten een lekker broodje ei goed smaken.
Na de rustpauze laten we San Vicente achter ons op weg naar de volgende plaats. Uiteindelijk raakt de hitte ons zo erg dat we helemaal oververhit raken. Carmen, een echte waterrat, verlangt enorm naar verkoeling. Als ze aan de linkerkant van de weg een beekje ziet stromen, kijkt ze snel op Google Maps. Als we 200 meter een pad inslaan, komen we bij het water.
Het blijkt een heel smal, steil en niet veelgebruikt bospaadje naar beneden te zijn. Eenmaal bij het beekje leggen we onze rugzakken op de grond en lopen over de stenen naar het water. Het beekje staat niet erg vol, maar het is diep genoeg om onze voeten en onderbenen onder te dompelen. Zo zitten we een poos heerlijk af te koelen.

Eenmaal weer op pad verdwijnt het effect van het koelbad al snel en slaat de hitte opnieuw toe. Een eind verderop komen we bij een grotere rivier. Carmen kan de verleiding niet weerstaan en wil er graag een duik in nemen. Ik zie dat zelf in eerste instantie niet zo zitten. We gaan bij het water zitten, vlak bij een dorpje en een brug. Er is verder niemand in het water. Carmen laat zich er als eerste in glijden en vindt het heerlijk. Ik besluit mijn voeten erin te steken, maar ga uiteindelijk toch helemaal onder. Ik blijf wel dicht bij de rand, waar wat stenen liggen die ooit een trapje leken te zijn. Echt zwemmen hoeft van mij niet, maar het is zalig om helemaal af te koelen. De koele onderstroom zorgt voor een heerlijke verfrissing. Eenmaal afgedroogd en terug op de kant voelen we ons als herboren.

In het dorpje begint Carmen rond te vragen naar slaapplekken. Men verwijst ons door naar een plaatselijk hostel. Als we daar rond 18:00 uur aankomen, blijkt de medewerkster achter de receptie niet erg vriendelijk: alles is al volgeboekt. We gaan op het terrasje van het hostel zitten met een drankje, terwijl Carmen rondbelt. Overal krijgt ze hetzelfde antwoord: vol, vol, vol.
Eindelijk heeft ze succes bij een hostel in Colombres, maar er is een addertje onder het gras: we moeten er vóór 19:00 uur zijn. Dat betekent dat we nog 4 kilometer moeten overbruggen door de steile bergen, mét zware bepakking, in minder dan een uur. Dat gaan we te voet nooit redden. Er zijn twee opties: liften of een taxi nemen. Ik pleit voor de taxi. Die is gelukkig binnen vijf minuten ter plaatse en brengt ons naar Colombres.
Bij het hostel aangekomen stappen we naar binnen. Carmen legt uit dat we zojuist gebeld hebben en dat er nog plek zou zijn. De mevrouw bij de receptie schudt echter haar hoofd: “Nee, we zitten helemaal vol.” We weten niet wat we horen; we zijn er binnen 20 minuten na het telefoontje! Dan vraagt ze: “Of zijn jullie soms met drie personen?” “Nee,” zegt Carmen, “we zijn met z’n tweeën.” “Nee, helaas, dan is alles vol.” We staan perplex. Hebben we net een taxi genomen, staan we alsnog met lege handen en het is inmiddels na zevenen. Scenario’s van buiten slapen in een park of onder een overkapping passeren al de revue.
Carmen blijft verder proberen te bellen. En dan hebben we geluk: bij een ander hostel hebben zojuist drie mensen afgezegd, waardoor er opeens plek is! Het is alleen wel weer 4 kilometer lopen. Gelukkig hoeven we er pas om 22:00 uur te zijn.
Inmiddels hebben we het vermoeden dat veel pelgrims voor de zekerheid ergens reserveren, maar onderweg blijven zoeken. Als ze dan eerder een hostel vinden waar je niet hoeft te reserveren en waar nog plek is, stappen ze daar binnen en zeggen ze hun eerdere reservering op het laatste moment af. We vermoeden dat dit precies is wat er in ons geval is gebeurd. Het maakt het extra frustrerend, want deze praktijk geeft een heel vertekend beeld: alles lijkt overal volgeboekt, terwijl er op het laatste moment opeens weer plekken vrijkomen.
Met inmiddels 24 kilometer in de benen maken we ons op voor de laatste etappe. Met een dagtotaal van 28 kilometer komen we vermoeid en verhit aan.
De ontvangst maakt alles goed: de gastvrouw is ontzettend aardig en het hostel is prachtig. We krijgen een kamer met vier bedden (twee stapelbedden) helemaal voor ons alleen. De gastvrouw vraagt of we al gegeten hebben, maar we hebben alleen nog maar behoefte aan water, een douche en ons bed.
Het kraanwater blijkt alleen enorm naar chloor te smaken. Omdat ons drinkwater bijna op is, gebruikt Carmen een handig trucje dat ze op internet las: als je chloorwater in een warmere ruimte 12 uur laat staan, verdampt de chloor vanzelf. Ze vult een pannetje met kraanwater en zet het in de vensterbank.

Na een heerlijke douche duiken we voldaan ons bed in. Het was weer een dag op het nippertje, maar we hebben een dak boven ons hoofd.
Op naar morgen!