Wir schleichen jetzt Richtung Köln…

Ik kom via de achterdeur het huis binnen. Vakantie! Heerlijk. Spulletjes pakken en op reis. Om 19.09 gaat onze trein van Emmerich naar Stuttgart. Carmen en ik gaan een lang weekend op bezoek bij Linda, mijn zusje.
In huis is het opvallend rustig. “Waar is iedereen?”. Geen antwoord. Ik merk dat ik lichtelijk geïrriteerd raak: Ik wil op tijd weg, waarom is ze nou niet thuis? Echt iets voor Carmen om weg te gaan, terwijl we toch op tijd wegmoeten om de trein te krijgen. Ik pak m’n mobiel om haar te bellen. Met dat ik wil bellen gaat de huistelefoon. Het is Carmen “Hoi Mamsie! Doe je even de poort open?”. Tegelijk met haar arriveren ook Danilo en Alicia, een vriendin van hem.
We lopen naar binnen. “Carmen, heb je alles ingepakt?” vraag ik met moederlijke strengheid, die me eigen is (niet dus!). Carmen is de schrik op haar gezicht af te lezen: “Maar ik dacht dat ik nog tijd had om de salade te maken”. We zouden een salade voor onderweg meenemen. “Heb je die nog niet klaar?”, vraag ik verwijtend. Zij, verontschuldigend: “Maar je zou pas om vijf uur thuis zijn, dus ik dacht dat ik nog 20 minuten had”. Dat klopt. Ik heb eerder van werk weg kunnen gaan, omdat ik een aantal presentaties naar eerder die dag kon verzetten. “Gaat dat in 20 min?” vraag ik. “Ja, tuurlijk!” geeft ze terug. Ik vraag door: “Ben je verder helemaal klaar?”. “Yep”, ze kijkt voldaan. Nou dat is dan een meevaller. Ik moet namelijk nog alles inpakken, maar ik wilde even een beetje stress veroorzaken. Dat moet je soms bij Zuidamerikaanse kinderen, want anders ben je zo maar een uur te laat. Gewoon tactiek, die ik inmiddels heb aan moeten leren, aangezien mijn kinderen de manana-mentaliteit niet af hebben kunnen leggen.
Carmen gaat aan de salade beginnen en ik ga m’n tas inpakken.

We rijden met Boodie, mijn auto, naar mijn ouders, drinken daar nog een kopje thee en worden dan door mijn vader naar het station in Emmerich gebracht.
In Duisburg moeten we overstappen. We hebben een uur overstaptijd, dus lopen een beetje het station op en af. Er komt een vrouw naar ons toe om om eten te vragen. We zeggen, dat we niets voor haar hebben. We lopen naar het perron om te kijken, of de trein er misschien al is. Maar die blijkt 25 minuten vertraging te hebben. Lekker dan! We zouden al na middernacht bij Linda aankomen. Wordt nu dus nog later. We besluiten om bij de McDonalds iets te gaan drinken. Carmen bestelt een cappuccino en ik een latte macchiato, maar tegen de tijd dat de dranken klaar zijn, moeten we ook al weer naar het perron. Vinden we. Want stel dat de trein toch eerder vertrekt! We nemen onze bekers en lopen weer door het station. We zien de vrouw weer lopen en Carmen geeft haar 2 euro. We lopen verder naar het perron en ik voel gewoon, dat Carmen ergens over nadenkt. “Denk je aan die vrouw?”. Ik ken haar al wat langer dan vandaag. “Ja” zegt ze “als ik iets te eten voor haar had kunnen kopen, had ik dat gedaan”. Maar alles zit dicht en we hebben ook niet meer genoeg tijd.

Op het perron moeten we nog even wachten. Dan komt de trein en stappen we in. We vinden een hele fijne plek met vier plaatsen en een tafel. Super! Hier gaan we ons wel vermaken. Aan de overkant zit een man achter een laptop. Hij is misschien zo’n beetje van mijn leeftijd, misschien iets jonger, lang haar, kalend op het midden, met een lange ketting met het peace-teken erop. Lijkt me wel een chille vent, maar hij kijkt niet op of om en blijft gekluisterd aan zijn laptop.
Jammer dat we die mondmaskers op moeten blijven houden. Per vandaag zijn alle corona-maatregelen in Nederland ervan af gegaan, behalve in het ov, daar moet je nog mondmaskers dragen. En we zijn nu natuurlijk in Duitsland en daar gelden alle maatregelen nog.

De treinchauffeur is jolig. Maar ja wat wil je? Het is carnaval en we naderen één van de bolwerken van het carnavalisme: Keulen. “Wir schleichen jetzt Richtung Köln” komt het door de intercom.
In Keulen stappen er twee jongedames in en gaan schuin achter ons zitten. Ze zijn verkleed en slepen een fles gin en een fles tonic met zich mee. Ze zetten een muziekje op. Carmen en ik gaan hier wel goed op, maar ik zie het gezicht van onze buurman vertrekken. Hij staat op: “Muss das jetzt sein?” – is dit nou echt nodig? “Oh Entschuldigung” giechelen de meiden. En quasi fluisterend naar elkaar: “Heb jij gehoord, wat-ie zei? Ik kon het niet goed verstaan” – “Volgens mij zei hij dat de muziek te hard was” – “Misschien moet we hem dan wat zachter zetten” – één van de meiden staat op en roept tegen onze buurman: “We zetten de muziek iets zachter, is dat oké?” De meneer bromt toestemmend, duidelijk not-amused. De jonge dames giechelen en zingen zachtjes mee. Ze hebben duidelijk al in de fles gin gekeken, niet al te diep, maar toch: een lichtelijke aangeschotenheid valt niet te ontkennen. “Wer möchte n’en Gin-tonic?” roepen ze door de wagon. Carmen ligt inmiddels in een deuk om de meiden. In tegenstelling tot onze buurman genieten we met volle teugen van de vrolijkheid en positieve energie van onze jonge medereizigsters. Carmen steekt haar hand op. “U?” vraagt de jongedame. “Ja”, Carmen knikt. De dames komen in de wiebelende trein onze kant op gebalanceerd met de flessen in de hand. Vlots!! Daar gaat een flinke scheut gin Carmens lege koffiebeker in en vlots een klein beetje tonic erbij. “Wilt u ook?” vragen ze mij. Helaas heb ik mijn latte nog niet op. “Oh”, zegt Carmen “We delen wel”. “Dan doe ik er nog iets bij in” komt het vrolijke antwoord en Vlots!!! Weer een reuzescheut gin en een klein scheutje tonic. We bedanken vriendelijk en proeven van het mengsel. Het is heerlijk. We zijn in ons sas. We hebben een grote beker lekkere cocktail! De meiden stappen bij het volgende station uit en zwaaien nog vrolijk naar ons vanaf het perron.

Inmiddels is er blijkbaar van conducteur gewisseld. “So”, klinkt er een vrolijke vrouwenstem uit de intercom. “Die Jungs sind jetzt weg, jetzt sind die Mädels dran. Mal sehen, ob es jetzt besser geht!”
Nou, dat is te hopen, want we hebben al aardig wat vertraging opgelopen!
Tijdens de gehele reis worden de reizigers via de intercom niet met het gebruikelijke “Sehr geehrte Fahrgäste”, maar met het carnavalistische “Werte Menschen” aangesproken. Op de één of andere manier maakt dit de reis heel erg gezellig. De gin helpt natuurlijk ook wel mee…

In Stuttgart weet ik de weg wel naar de S-Bahn, want daar moeten we mee naar Böblingen, waar Linda en Tim ons op komen pikken. Ik dácht dat ik het wist, maar ze zijn aan het verbouwen, dus we moeten toch zoeken. En dan ben ik weer helemaal de chaoot, die ik nu eenmaal ben. Ik zoek me suf naar bordjes, terwijl Carmen de aanwijzingen op de grond ziet staan. We moeten helemaal buitenom lopen en dan een flinke trap naar beneden. Ik neem de roltrap, ik vind het wel gezond, maar Carmen – diehard die ze is – neemt de trap. Het is gezellig op het perron, al is het al ver na middernacht. Al die jonge lui! Ik hou van die gezelligheid, al zijn we natuurlijk ook wel op onze hoede. Ik denk dat ik in een vorig leven een nachtdier was, een uil of zo, al ben ik best wel bang in het donker.

In de S-Bahn zit er naast ons een zwaar opgemaakt, geblondeerd meisje, die stomdronken is. Met een klagelijk stemmetje praat ze in haar mobiel: het gaat zo slecht met haar, ze is misselijk en ze heeft “iets” nodig. Ze wil graag naar diegene, met wie ze praat. Ze gaat er éen halte voor onze eindbestemming uit.

Linda en Tim zijn er uiteraard al. We geven elkaar een hugg en rijden naar de woning van Linda en Tim. Natuurlijk bijpraten en gezellig wat drinken zonder op de klok te kijken. Carmen en ik legen samen nog een fles rode wijn. Om vier uur ploffen we moe in bed. We slapen in de woonkamer, Carmen op de bank, die verbreed kan worden, zodat een geriefelijk bed ontstaat, en ik op een luxe luchtbed.

Bakkers, boeren, boswachters en kleermakers

In mijn vorige blog heb ik verteld hoe de naam “Chevalking” ontstond en hoe wij aan die naam gekomen zijn.

plaatje oude boerderij 2Nu wil ik gaan kijken, hoe ver we kunnen komen op zoek naar onze stamvader. Hoewel we natuurlijk even verwant zijn aan onze vrouwelijke voorouders, hou ik het in deze blog bij de mannelijke voorouders en blijf dus ook bij de naam Chevalking/Zevalkink/Zeevalkink. In een latere blog zal ik het ook over een leuke ontdekking in de vrouwelijke lijn hebben.

Ik start bij Johan Chevalking (1880-1958), banketbakker, die zijn winkel en bakkerij in de Korte Heezenstraat in Doetinchem had. Hij was getrouwd met Netta van Til (1879-1958), een geboren Zelhemse. Zij hadden 6 zonen en 1 dochter.

Foto nieuwstad bakkerij
    8 okt. 1905 – Gerrit Jan
    26 feb. 1909 –  Hendrik
    20 apr. 1911 – Johan
    23 mei 1913 –  Karel Albertus; mijn opa
    3 jan. 1915 – Jan
    12 okt. 1917 – Netta
    18 juni 1921 – Arnold Marchiel

De vader van Johan is Gerrit Jan (1837 – 1920), van beroep landbouwer en, zoals wij weten,  boswachter, die in IJzevoorde woonde. Met 29 jaar trouwt hij met de 23 jarige Aleida Wentink (1843 – 1917). Het huwelijk vindt plaats op 3 november 1866. 3 maanden later wordt hun eerste dochter Alijda geboren (12 februari 1867) – ahum?!?!, ik mag hopen dat er ergens een foutje in de registratie ingeslopen is, haha.  In totaal krijgen zij 11 kinderen,  waarvan er 4 nog geen jaar worden en de oudste, Alijda heel jong – met 29 – overlijdt.In 1869 wordt Gerrit Jan geboren, overlijdt na 3 maanden.

In 1871 Gerrit Jan,
In 1874 Hendrik,
in 1877 Derk Jan,
In 1878 Johanna Christina, overlijdt na 7 weken,
In 1879 Johanna Christina, overlijdt na 7 maanden,
In 1880 Johan; mijn betovergrootvader, de bakker
In 1884 Harmina, zij overlijdt na 9 maanden,
In 1887 Bernard
In 1892 Albertus.

De ouders van Gerrit Jan zijn Garrit Jan Chevalking (1811 – 1869) en Aleida Veenink (1811 – 1877). Garrit Jan wordt op 11 september 1811 in Ruurlo geboren. Hij trouwt in 1836 met Aleida, beiden op de leeftijd van 25 jaar. Aleida komt uit Varsseveld, maar ze gaan in IJzevoorde wonen. Garrit Jan is degene, die voor het eerst met “Ch” geschreven wordt. Zijn broers en zusters heten Zeevalking/Zevalking. Dit is te wijten aan schrijffout bij de inschrijving in het bevolkingsregister.
Ze krijgen dus in totaal 10 kinderen, waarvan er 3 als baby overlijden:

1. 25-5-1837 – Gerrit Jan; mijn betbetovergrootvader, de landbouwer/boswachter
2. 27-02-1839 – Aleida Johanna Chevalking; zij wordt 67 jaar
3. 05-11-1840 – Evert Jan Chevalking, hij overlijdt na 4 weken;
4. 15-05-1842 – Everdina Chevalking;
5. 08-08-1844 – Aleida Willemina Chevalking, zij overlijdt na 14 weken
6. 18-12-1845 – Aleida Willemina Chevalking; (Akte.75), zij wordt 75 jaar oud.
7. 25-04-1850 – Jetta Chevalking;
8. 30-10-1851 – Jetta Chevalking, overleden na 5 maanden
9. 28-03-1853 – Jan Chevalking: (akte.29), hij overlijdt op de leeftijd van 57 jaar.
10. 22-09-1855 – Harmina Chevalking; zij wordt 72 jaar oud.

Garrit Jan woont in IJzevoorde met zijn gezin. IJzevoorde is een gehucht in de gemeente Doetinchem. Ook vroeger hoorde het al bij het ambt Doetinchem. Tegenwoordig wonen er ongeveer 40 mensen. In dit gehucht oefent Garrit Jan zijn beroep als kleermaker uit. Dat was in die tijd een ambachtelijk beroep, waarbij met naald en draad gewerkt werd.

kleermaker

J.H. van der Heijden (1825-1907) – kleermaker

Tot in het midden van de negentiende eeuw kon een kleermaker, die een ambachtelijk vakman is, redelijk zijn brood verdienen. Met de komst van de machinale kledingmakerij werd zijn positie aangetast en verslechterde het inkomen en de arbeidsomstandigheden. Tot het midden van de 19de eeuw zijn naald en draad, schaar en meetlint de belangrijkste instrumenten waar kleren mee werden vervaardigd. (Bron:www.spijkertegels.nl/beroepen/kleermakers)


De ouders van Garrit Jan zijn Evert Zeevalking (1772 – 1850) en Aaltjen Cremer (1773 – 1838). Evert wordt geboren in Zelhem, maar gaat met zijn vrouw, die geboren en getogen is in Ruurlo, in Ruurlo wonen en overlijdt ook aldaar. Ook hij is kleermaker van beroep, net als zijn zoon ná hem.

tegel kleermaker

Tegel met een kleermaker 
Eind 19e eeuw


Zij krijgen zes kinderen:

24 dec. 1796 – Elisabeth Zevalkink
23 sep. 1798 – Berend Zevalkink
ca. 1808 – Hendrica Zevalkink
11 sep. 1811 –  Garrit Jan (Gerrit Jan) Chevalking, voorouder 5e generatie
29 jan. 1815 – Jan Zevalkink.

En dan komen we ook al bij de laatste voorouder, die ik in dit lijntje heb kunnen traceren:
De ouders van Evert zijn Berend Zeevalking (rond 1724- 1790) en Hendrica Hols (1738 – 1807).
Het is Berends tweede huwelijk. Hij is eerder getrouwd geweest met Maria Regelink (1724 – 1761). Uit dit huwelijk komen (4?) kinderen:

Harmina Regelink, geboren ‎13 sep 1748 in Zelhem;
Berendina, geboren voor 1752;
Jan Regelink, 18 nov 1753 – 9 okt 1809 (Zelhem);
Maria Regelink, geboren ‎26 of 27 feb 1761 in Zelhem.

Maria, Berends eerste vrouw, overlijdt op 26 of 27 februari 1761 in Zelhem op de leeftijd van 36 jaar in het kraambed (gezien de sterfdatum en geboortedatum van hun jongste kind).

Hij trouwt daarna met Hendrica Hols (1738), die ca. 15 jaar jonger geweest moet zijn. Zij wonen in Zelhem en krijgen samen (4?) kinderen:

Derk Zeevalkink – geboren 14 dec. 1766;
De tweeling Evert Zeevalkink, mijn voorouder 6e generatie) en Hendrik Jan – geboren 4 juni 1772
Janna Zeevalkink – geboren 20 apr. 1777

Dertien jaar later, in 1790 overlijdt hij. Zij vrouw Hendrica leeft nog 17 jaar.

Helaas lukt het me ook naar heel lang zoeken niet, om verder terug in het verleden te komen. Heel graag zou ik de link naar boerderij “Zeevalking” in Zelhem willen vinden, maar wie weet komt dat ooit nog wel. Mocht dat zo zijn, dan zal ik daar weer een blog over schrijven.

stamboom chevalking in excel

stamboom Chevalking/Zeevalking

Bronnen:
https://www.wiewaswie.nl/nl/detail/18228567
https://nl.wikipedia.org/wiki/IJzevoorde
https://www.spijkertegels.nl/beroepen/kleermakers
myheritage
genealogie online

 

Over het ontstaan van de naam Chevalking

Mocht je de achternaam “Chevalking” dragen en in de waan verkeren, dat deze naam een samenstelling is van het Franse “Cheval” en het Engelse “King” en dus “paardenkoning” betekent, dan moet ik je teleurstellen. De herkomst van deze mooie en chique lijkende naam is helaas wat profaner, maar daarom niet minder interessant. Hoe dat precies zit, wil ik je in deze blog vertellen.
Om maar gelijk met de deur in huis te vallen: De naam “Chevalking” komt voort uit een schrijffout bij het inschrijven in het geboorteregister.

In de 18/19e eeuw leefde Evert Jan Zeevalking (1772-1850). Hij was getrouwd met Aaltjen Cremer. Zij kregen vijf kinderen: Elisabeth, Berent Jan, Hendrica, Garrit Jan en Jan. Alle kinderen worden ingeschreven onder de naam “Zevalkink”, behalve Garrit Jan, hij wordt per abuis onder de naam “Chevalking” ingeschreven. Het gebeurde trouwens regelmatig dat namen op verschillende manieren geschreven werden. Zo kan iemand bijvoorbeeld “Berend”, “Barend”, “Berent” of “Barent” geschreven worden. Ook achternamen worden wel eens verschillend geschreven. Tja, mensen waren toen niet altijd even vaardig in het schrijven, vermoed ik.
Zijn zoon, Gerrit Jan Chevalking  (1837-1920) is de opa van mijn opa (Karel Albertus Chevalking). Gerrit Jan is bij iedereen bekend als de boswachter van de Slangenburg.
Al zijn nakomelingen dragen de naam “Chevalking”.

boswachter01

Gerrit Jan Chevalking 1837-1920

De naam “Chevalking” komt dus voort uit een foutieve schrijfwijze van de naam “Zevalking”.
Maar waar komt de naam “Zevalking” vandaan?
We beginnen bij de achterkant van het woord.
Het achtervoegsel -ing of -ink zie je heel veel bij achternamen, zeker in de Achterhoek,
In “Ontstaan van namen en naamsaanneming” kunnen we over de uitgang -ing/-ink lezen:

“In de Middeleeuwen, toen Nederland nog bestond uit verschillende, vrij onafhankelijke gewesten, ontstonden in bepaalde gebieden zeer specifieke namen en toevoegingen”
“Zo kwamen in Twente en de Achterhoek de toevoegsels -ing en -ink heel veel voor. Het -ink wil zoveel zeggen als behorende tot. En wel behorende tot die en die familie, boerderij, nederzetting, bezitting.
Jannink had een voorvader Jan, Dirkink een Dirk. In andere streken heetten die Dirksen of Derksen.
De hoeve van Bern of Bren (Bernard) was een Brennink en de opzichter of meier was de Brenninkmeier.”

Het zou dus heel goed om de naam van een boerderij kunnen gaan.
En inderdaad: in Zelhem staat een boerderij met de naam “Zeevalking”. Uit het stamboomonderzoek dat ik tot nu toe gedaan heb weet ik, dat onze roots in Zelhem liggen. Dus dat puzzelstukje past!
De boerderij staat aan de Oosterwijkweg 2 tussen Zelhem en Ruurlo en is op de foto te zien. Maar ik moet jullie een beetje teleurstellen: de boerderij, die er nu staat is gebouwd in 1906.

zeevalkink01

Boerderij “Zeevalking” in Zelhem 

 

 

google earth boerderij

Google Earth                Oosterwijkweg 2 met boerderij 

Er staat een wat oudere schuur bij, maar die is ook zeker niet eeuwenoud (de huidige eigenaar schat dat de schuur van ca. 1850 is).

De waarschijnlijkheid is dus zeer groot, dat onze voorouders van (een voorloper van)  deze boerderij kwamen en eigenaren of pachters van de bijbehorende grond waren.

Maar hoe komt het nou, dat onze familienaam eigenlijk de naam van een boerderij is?

“In Oost-Nederland werden huisnamen als achternaam gebruikt. Daar heette men naar de boerderij waar men woonde. Zolang de boerderij van vader op zoon overgaat, lijkt dat op een erfelijke geslachtsnaam. Maar de achternaam verandert als men verhuist, bijvoorbeeld om in te trouwen op een andere boerderij. Deze gewoonte wordt in bepaalde gebieden, zoals in Winterswijk, nog steeds gehanteerd. Mensen zijn daar beter bekend bij hun boerderijnaam dan bij hun officiële achternaam. Soms is zelfs een combinatie van achternaam en boerderijnaam mogelijk, zoals Leferink op Reinink, Jagers op Akkerhuis, Busger op Vollenbroek en Scholte op Reimer. Het achtervoegsel ‘-ink’, ‘-ing’ of ‘-inga’ heeft betrekking op ‘bij de familie van’.

(https://jouwnaambord.nl/geschiedenis-achternamen)

“Om eenheid in de systemen te krijgen, werd in de napoleontische tijd (1799-1815) besloten dat iedereen die nog geen achternaam had er één moest kiezen, en dat achternamen altijd van vader op kind zouden overgaan. In grote delen van de Lage Landen waren namen al min of meer gefixeerd in de voorliggende periode, zodat voor deze personen alleen de vastliggende schrijfwijze nieuw was.”

(id)

Interessant zou het nu zijn om te kijken of het bekend is, wie er op boerderij “Zeevalking” heeft gewoond. En dat is het geval!

De eigenaars/pachters waren:
1577: Hendrik Segevalkink
Harmen Zeevalkink tot 1721
Herman Leeuwenborgh tot 1722 – 1740
Willem Zeevalkink (geb ± 1729 – ovl. 1783) met Aaltje Weergang weduwe van Barent Zeevalkink
Barent Wolsink/Zeevalkink tot aan zijn dood op 09-01-1740
1646: Henrick Hessinck (Kreynck)
1820: L. Brusse
1858: R. Mentink
1874: Woerts
1897: Lambert Woerts
1903: Salemink
(http://www.oudzelhem.nl/)

Omdat ná 1810 alle achternamen vaststaan, moeten we ervan uitgaan dat onze voorouder vóór die tijd de naam Zevalking al had. Dus bewoners van ná 1810 vallen af. Herman Leeuwenborgh heeft blijkbaar niet de naam van de boerderij aangenomen, hetzelfde is het geval met Henrick Hessinck. Met zekerheid kunnen we dit echter niet zeggen.
Maar gaan we daar wel even van uit, dan blijven Barent Wolsink/Zeevalkink, Willem Zeevalkink, Harmen Zeevalkink en Hendrik Segevalkink over.
Ik weet zeker, dat het Willem niet kan zijn en dat het ook waarschijnlijk niet Barent is (hoewel die voornaam wel veel bij onze voorouders voorkomt, dus ik sluit het nog steeds niet helemaal uit). Harmen Zeevalkink  of  Sevalkingh heeft drie zonen Hendrick (*7 oktober 1703), Derck (*12 oktober 1707), Willem (*25 december 1707) en een dochter, Hermina, maar ik heb (nog) niet kunnen achterhalen of zij kinderen hadden. Er is niets over te vinden, helaas.
En uit de 17e eeuw hebben we helemaal geen namen. Wie weet hoeveel Zeevalkings er nog op de boerderij gewoond hebben?
Het is mij dus helaas tot nu toe nog niet gelukt om te achterhalen, wie die voorouder van ons was, die ooit op boerderij “Zeevalkink” heeft gewoond en die naam aan heeft genomen.

Leuk is het misschien nog wel om te kijken, wat de naam “Zeevalking” betekent. We zien al in bovenstaande lijst van pachters/eigenaren, dat er een oudere schrijfwijze “Segevalkink” bestaat. We weten inmiddels dat het affix ‘ink “behorend bij” betekent. Het woord “Segevalk” is een oud Germaans woord “Siguwalh” dat uit twee delen bestaat: “Sigu”, wat “zege” betekent en “valha”, wat “vreemdeling” betekent. Het is niet duidelijk, wat de combinatie van die twee woorden precies betekende, maar het gaat in ieder geval om een Germaanse naam.
Al in 1381 bestond er een boerderij met de naam “Segevalkinck” in Zelhem.
(https://docplayer.nl/17918992-Enkele-kenmerken-en-verklaringen-van-twentse-familienamen.html)

Mochten jullie teleurgesteld zijn, dat ik niet heb kunnen achterhalen, hoe wij precies met de boerderij verbonden zijn, ik heb onze voorouders wel tot in 1740/50 kunnen traceren.
Maar daarover later meer….

 

Bronnen:
Ontstaan van namen en naamsaanneming; http://members.chello.nl/~r.fruining/Namen/Ontstaan%20van%20namen%20en%20naamsaanneming.htm
https://www.cbgfamilienamen.nl/nfb/detail_naam.php?info=component&component=ink&nfd_naam=Aalderink&gba_lcnaam=&operator=eq&taal=
https://docplayer.nl/17918992-Enkele-kenmerken-en-verklaringen-van-twentse-familienamen.html
http://www.oudzelhem.nl/
eigen stamboomonderzoek via My Heritage

Stamboom 01 – Karel de grote

Karel-de-Grote-volgens-Albrecht-Dürer-e1469953216914

Ik ben met een stamboom begonnen.
Ik wilde graag zo’n DNA-test doen om erachter te komen, uit welke landen mijn voorouders wellicht komen. Ik kreeg dat dus cadeau van mijn man en heb het een aantal weken geleden opgestuurd. Het duurt even, dat wist ik. En My Heritage, de betreffende site, stelde voor, om ondertussen met mijn stamboom te beginnen. En dat deed ik. Na eerst een behoorlijk bedrag te hebben betaald, want anders kun je nog niet veel op die site.
Nu ben ik een flink aantal weken verder en ik zal maar gelijk met de meest spectaculaire ontdekking binnenvallen: ik ben een nakomeling van keizer Karel de Grote! Jaja!
Nou blijkt dat helemaal niet zo bijzonder te zijn, want 85% van de autochtone Nederlanders schijnt een nakomeling van hem te zijn. Puur rekenkundig. Dus dat is wel weer jammer. Maar toch. Ik kan wel precies zeggen, hoe de lijn naar de fameuze keizer verloopt.troon karel de grote
Toen ik twee jaar geleden met Cor, mijn man, de dom in Aken bezocht en daar de troon van Karel de Grote mocht bewonderen (een kaal, stenen geval), kon ik niet bevroeden, dat ik naar de zetel van mijn betbetbet….overgrootvader aan het kijken was. Karel de Grote, geboren 742 en overleden 814 is mijn voorouder van de 42e generatie. Ik moet wel heel eerlijk toegeven, dat ik dit niet 100% kan waarmaken, maar ik denk dat niemand dan kan, want gegeven ogenblik ga je zo ver in de tijd terug, dat er nauwelijks documenten zijn. Maar ik ben vrij zeker van een afstamming van een familie Berck in Dordrecht – ik hoop hier later ook nog een blog over te schrijven – en aangezien dat een rijke adelijke familie was, verloopt de lijn gegeven ogenblik vrij soepeltjes. Want van de gewone mensjes is na de 16e eeuw niets meer terug te vinden, terwijl er van de welgestelden nog wel documenten zijn. Zo ben ik in mijn zoektocht wat ridders – ook kruisridders – tegengekomen, die ook op wikipedia vermeld worden. Maar daar vertel ik later nog wel over.
Maar Karel de Grote dus. Mijn oeropa. En die van jullie waarschijnlijk ook. Misschien is hij ook wel langs meerdere lijnen een voorouder. Maar de meeste lijntjes breken dus in de 16e eeuw af. De grootouder van mij, die uit een welgestelde, adelijke familie stamt – zonder dat ze dat ooit heeft geweten – en via wie ik dus tot aan keizer Karel de Grote ben uitgekomen is de moeder van mijn vader’s kant, mijn Oma van Reine.

Schermafdruk 2019-02-16 01.39.49

Wat mij het meeste trof bij mijn onderzoek was, dat ik zo verdomde Nederlands ben. Mijn voorouders komen uit de Achterhoek, uit Groningen, Friesland en ook vooral uit Drenthe, maar slechts één lijntje voert naar het buitenland, namelijk naar Zwitserland. Ook weer via Oma van Reine. Voor de rest kan het niet Nederlandser. En dat had ik dus eigenlijk niet verwacht, dat ik gewoon voor – zeg – 95 % Nederlands ben. Was wel ff een dingetje om te verwerken, haha. Nog niet helemaal klaar mee eigenlijk, dus ik zoek nog even verder. En natuurlijk zijn er ook nog heel veel lijntjes, die ik nog niet onderzocht heb of waar ik niet mee verder kom. Wie weet, zit er toch nog iets exotisch tussen. De DNA-test zal het uitwijzen – spannend!

Ochtendje afscheid

photogrid_1525853861319210144182.jpgVijf uur in de ochtend gaat de wekker. Ik ontwaak uit een soort coma. Heerlijk geslapen. Carmen staat op om de rest in te pakken, ik een kwartier later. De bagage blijkt te zwaar te zijn. Maar de flessen wijn moeten met alle geweld mee. “Ik lul me er wel uit” zegt ze nonchalant. Om zes uur vertrekken we richting Schiphol. Geen files, gelukkig! We zijn Arnhem voorbij als Carmen ontdekt, dat ze haar papieren visum vergeten is. Ze heeft alleen het visum in haar paspoort. “Is dat erg?” vragen we. “Neuh” zegt ze schouderophalend. “Denk het niet”. Pffff… nou ik hoop het maar. Ik maak me er maar niet druk om, als zij zich er niet druk om maakt. Uiteindelijk is zij de ervaren reiziger.
We parkeren op Schiphol en lopen de hal in. Ik voel de reiskoorts in me opkomen. Ik ben echt gek op reizen! En zeker per vliegtuig. Bij het inchecken van de bagage vlot het allemaal wat minder. Er staat een ellenlange rij, dus we zijn haar een hele tijd kwijt. Dan belt ze: er is probleem met de bagage, ze moet naar een servicedesk voor handmatige check in. Zal vast over het gewicht gaan, vermoed is. We wachten en wachten. Inmiddels hebben we gelukkig stoelen kunnen bemachtigen. Eindelijk komt ze terug. Er wordt verteld, dat het boarden al begonnen is. Nou, dat is snel… . Dus het is een heel snel afscheid. Aan één kant maar gelukkig! We krijgen niet de kans om te gaan janken. En daar loopt ze vrolijk weg. 12 uurtjes vliegen en aan het eind van de reis zal haar lief haar ophalen. De volgende ochtend zal ze dan doorreizen naar Colombia.
Wij gaan nog wat drinken en broodje eten en rijden dan met de auto terug naar huis. Ik heb nog whatsapp-contact met haar tot het vliegtuig opstijgt. Daarna is het stil. Ik zal moeten wachten tot ze geland is. Ondertussen app ik met haar vriendin die zenuwachtig op haar zit te wachten tot ze daar landt. Dat geeft me enorme troost en geruststelling. Ze is daar niet alleen, maar met mensen die van haar houden..

 

Daar gaan we weer…

20180508_1957301416293205.jpgHet is weer zover! Mijn dochter heeft weer een reis gepland. Eigenlijk zou ze pas na Pinksteren gaan en het pinksterweekend – spreek: familiereünie op camping Jena – nog meemaken, maar ze bleek een langer visum te kunnen krijgen, dus de reis werd vooruit gelegd. Ik ben de hele tijd “zen” geweest maar nu – de avond vóór de vlucht – wordt het me te kwaad. Ik kom thuis van werk. Vóór die tijd nog de stad in om een kleine Jägermeister voor Carmen’s oom, Rodrigo, en een lekker geurtje van Rituals voor haar lief, te kopen. Ook nog even naar de Plus om wat voor het avondeten in te kopen. Het is warm, dus ik besluit om een lekkere salade met gebakken aardappels te maken. Ik kom met mijn fiets de tuin binnen en word gelijk met m’n neus op de harde feiten gedrukt: Aan de hangmat hangt haar rugzak en in de tuin hangt de was te drogen, die ze mee gaat nemen. Ik heb me al die dagen goed weten te houden, maar dit slaat nu wel op mijn gemoed: nu komt het wel héél dichtbij: morgen is het zover… En ik kan niet eens uitslapen. Vijf uur in de morgen opstaan en zes uur wegrijden om haar naar Schiphol te brengen. Prettige bijkomstigheid: ik ben vrij en kan mee om haar weg te brengen. Minder: ik moet daarna naar de kaakchirurg om een fistel te laten verwijderen.
Ik ben dus niet bepaald goedgehumeurd als ik het huis binnentreed. In mijn ogen ene chaos en twee kinderen hangend op de bank voor de tv… . Ik blijf “zen”… Ga opruimen, in ieder geval het ergste. Dan naar boven, even wat anders aan. Niet dat het jurkje niet lekker zit, maar het fietsen in de zon heeft me tamelijk doen opwarmen – spreek: ik zweet als een otter – op de badkamer is de douche wel erg verleidelijk, dus ik spoel me eerst lekker af. Ik hoor een auto aankomen – Cor – jahoor! Naja, boeie! Ik spreek mezelf vermanend toe: je bent een hardwerkende vrouw, het eten  hoef niet op tijd op tafel te zijn! Soms leef in in gedachten nog in de tijd, dat ik hele dagen thuis was en het huishouden als aan een snoertje liep… Niet dat er iemand in ons gezin daar geen begrip voor heeft. Iedereen gunt me mijn baan… Ik denk dat ik de enige ben die er moeite mee heeft en het idee heb, dat het huis elke dag tiptop moet zijn.. Ik kleed me weer aan en ga naar beneden.  Ik maak een lekkere salade en gebakken aardappels met paprika en ui en we gaan gezellig buiten zitten om met z’n vieren te eten. “Omdat het de laatste keer is, dat we voorlopig samen kunnen eten” zegt Carmen. Welja! Wrijf het er maar in.
Na het eten ga ik snel opruimen en dan de rest van de cadeautjes voor de familie in Colombia en Ecuador inpakken. Hoe graag zou ik meewillen om die cadeaus zelf te geven!
Carmen gaat ook haar spullen verder inpakken. Mijn cadeaus zijn best zwaar, maar ze houdt nog 2 kilo over! Gelukkig! “Mama, wat weegt een fles wijn?” Wijn is Zuid Amerika niet te betalen. “Nou, een fles van 0,75 zal 0,75 kilo wegen… toch???”. Ze besluit om twee flessen wijn in te pakken.
We knuffelen en ik laat mijn tranen de loop… “’t is niet alleen dat je weggaat… maar ik zou zoooo graag mee gaan!!! Ik mis al die lieve mensen” zeg ik haar onder tranen. “jaja mama” zegt zij.
Naarmate de avond vordert kan ik steeds minder goed mijn tranen inhouden, en ik drink wijn, teveel…. wat ook niet helpt tranenmatig…Ik voel me er niet schuldig om. Ik vind dat dat onder de gegeven omstandigheden geoorloofd is.
Ik zit achter mijn laptop. Af en toe knuffel ik mijn dochter. Wat hou ik veel van haar! Wat heerlijk om dat nu nog te kunnen. Knuffelen.
Het is tien voor twaalf. Best laat, als je bedenkt, dat we er morgen ochtend om vijf uur op moeten. Cor is al naar bed en de kinderen gaan ook. Komt tegenwoordig zelden voor, dat ik als laatste naar bed ga. Komt misschien, omdat ik niet wil dat morgen komt…
“Wil je bij mij slapen, mammie?” vraagt Carmen. Wil ik dat? Ja en nee. Ja, om nog te genieten om bij haar te zijn. Nee, omdat het alleen maar verdriet brengt. Oef… wat een dramaqueen kan ik toch ook soms zijn…

 

Latte met een scheutje

photogrid_1515513403252580999339.jpgLatte met een scheutje… dat is heel veel melk met schuim, een beetje koffie en wat mij betreft – en mijn schoonvader is het daar roerend mee eens – een scheutje Baileys, dat is een Ierse crèmelikeur. Het is bijna elke sabbat middag raak op het Kamilleveld bij ons thuis. Na de kerkdienst, die we heel lang nog regelmatig bezoeken – Carmen en ik in Doetinchem en pa om en om in Zutphen en Doetinchem – komt Pa mee naar ons huis. Ik ga dan gelijk aan de gang om een lekkere maaltijd te bereiden – althans, dat vind ik. Als kok heb je het voordeel dat je zelf beslist wat er gegeten wordt en dat is dan ook meestal, dat wat ik lekker vind, haha. Onder het eten vraagt Cor steevast: “Smaakt het pa?” Pa kijkt quasi boos van zijn eten op “Ach jong, vreet maar!”. En ze liggen weer in een deuk, zoals elke week. Ik schud mijn hoofd. Wat een mafkezen!  “Het is heerlijk, hoor Manon” zegt hij met een knipoog in mijn richting. Cor hoef ik niets te vragen, die vindt alles lekker.  Het gesprek gaat over de preek of de sabbatschool of iets anders, maar een geanimeerd gesprek is er altijd, meestal over geloofszaken. Na het toetje ga ik de keuken opruimen en gaan Pa en Cor – en indien van toepassing – de kinderen, in de woonkamer zitten. Als ik klaar ben, voeg ik me bij hen en we zetten ons gesprek voort. Ik ga in mijn hoekje op de grote bank zitten met mijn benen zijwaarts opgetrokken. Cor zit in de stoel en Pa op de tweezitsbank voor de schuifpui. We kletsen, kijken een youtube-filmpje of een natuurfilm, of ook niet. “Wilt u een latte, pa?” Hij trekt zijn wenkbrauwen in verrukking op en tuit zijn lippen

photogrid_1515261831444266068625.jpg

“Oeh! Daar zeg ik geen ‘nee’ tegen!” Ik loop de keuken in en maak een latte macchiatto. “Met of zonder scheutje, pa?” roep ik. “Oooh, mét graag!”. Zijn stem gaat een octaaf hoger.  Ik maak een latte voor hem en voor mij en we gaan weer gezellig verder met ons gesprek, tot hij het tijd vindt om te gaan. Want Fien zal inmiddels ook wel weer terug zijn van shoppen… en hij wil ons ook niet langer “lastig vallen”.
Zo gaan de sabbat middagen al een aantal jaren. Vroeger deden we ook vaak een wandeling. In de Slangenburg, om Stroombroek heen, op de Posbank of gewoon in de wijk. Maar hij kan niet meer zo lang wandelen, dus tegenwoordig blijven we gewoon knus binnen of in de zomer lekker in de tuin.
Kamilleveld is inmiddels verleden tijd. We wonen nu aan het Hof van Florence. Nog  niet lang hoor. We zijn in November verhuisd. Met de koop van het nieuwe huis werd pa ziek. De dag na de sleuteloverdracht, was hij nog wél bij ons. Het was een sabbat en we gingen het huis bekijken. Pa was dus de eerste, die het nieuwe huis te zien kreeg. Op de één of andere manier was het belangrijk voor mij, dat hij het nieuwe huis ook nog zou zien, als we erin woonden – ik weet niet waarom. Een aantal weken was hij te ziek om te komen, maar op sabbat 9 december was hij zo goed te pas, dat Cor hem en Fien kon ophalen om samen een gezellig middagje door te brengen in het nieuwe huis. We hebben heerlijk gegourmet en het was weer als vanouds, maar nu in een nieuw huis. Toen ik de foto maakte en deze op Facebook plaatste deed ik dit bewust met het gevoel, dat het wel eens ons laatste samenzijn op deze manier kon zijn. Dat heeft zich bewaarheid… . De laatste gezamenlijke sabbat in een ellenlange reeks van sabbatten, beginnend in 1983 in Cor en mijn verkeringstijd. Toen nog bij ma en pa thuis op de Braamkamp, altijd met lekker eten, een goed gesprek en een heerlijke wandeling. Weekenden op de camping…. Zoveel herinneringen, ik zou er boeken mee kunnen vullen.
Lekker cliché misschien, maar ik zeg het toch: Mijn schoonvader zal altijd een heel bijzonder plekje in mijn hart hebben. We hadden een bijzondere relatie, schoondochter – schoonvader ten eerste, hoewel hij altijd zei, over Monique en mij: jullie zijn niet mijn schoondochters, maar mijn dochters. En zo voelde het ook. Monique en ik pakten hem wel eens hard aan, haha. Dat was voor ons makkelijker dan voor onze mannen. Hij zei wel eens tegen mij: “Ik zou nooit met je getrouwd kunnen zijn!” . “Nou”, antwoordde ik hem dan “Ik ook niet met u”. En dat was totaal niet om elkaar te kwetsen, maar het was een waarheid als een koe en dat wisten we van elkaar. En aangezien we niet met elkaar getrouwd waren, ging het prima tussen ons! Pa maakte geen verschil tussen ons vieren, zijn twee zonen en dochters, we waren hem even dierbaar, ieder op zijn eigen manier – evenzo zijn kleinkinderen. Er was voor hem geen verschil.
Naast schoonvader en schoondochter waren pa en ik ook geloofsgenoten. Zeker in dat laatste opzicht is pa van enorme invloed geweest op mijn persoonlijke ontwikkeling.
Iemand zei eens tegen mij: soms gaan mensen een kort stukje mee op je levenspad en soms een heel lang stuk. Nou Pa ging een héél lang stuk mee op mijn levenspad. Dikke 34 jaar. Aan die gezamenlijke wandeling is nu een eind gekomen.. maar is dat wel echt zo? Ik geloof niet aan eindes, alleen aan nieuwe begins, beginnen ….. waarom loopt dit niet in het Nederlands…. Ik doe het dan maar in het Engels: I don’t believe in endings, just in new beginnings….. Alles in de natuur is een kringloop en zo geloof ik dan ook dat het einde niets meer is dan een overgaan in een nieuw begin, voor pa… maar ook voor ons.

Dag 15: parque metropolian en naar het vliegveld

wp-image-1234189578Mijn laatste dag in Quito. We gaan met z’n drieën: Carmen, Chloe, het huisgenootje van Carmen, en ik met de trolley/bus naar het parque Metropolitano om daar Alejandro te ontmoeten. Het is eigenlijk een hele reis en het is al bij twaalven als we bij de ingang aankomen. Alejandro is er nog niet. Hij zou lopend komen, maar dan zal hij er voorlopig nog niet zijn, want het is een heel stuk lopen. We lopen eerst een straat in om in een winkeltje wat snacks en wat te drinken te kopen. Dan besluiten we om vast zelf al een stukje te lopen in het park, dat eigenlijk een groot bos is. Maar ik moet eerst heel nodig naar de wc. Dus we lopen eerst weer het straatje in om bij een restaurant naar de wc te gaan. Dan starten we onze wandeling. We nemen nauwgezet aanhoudingspunten in ons op, zodat we straks de  weg terug vinden.  Pfffff – dit gaat weer omhoog! Ik heb niet echt spierpijn in mijn benen, maar merk toch dat ze nog vermoeid zijn van de inspanning van gisteren. We zijn nog maar een stukje gelopen of Alejandro appt, dat hij er is. We lopen weer terug om hem te ontmoeten en zetten samen onze wandeling voort. In de verte zien we de bergketen. Alejandro wijst waar we gisteren gelopen hebben: “Kijk, daar is de elektriciteitsmast en daar zijn de boobies”. Ik kan het zien inderdaad, helemaal in de verte. Wauw wat hoog!! wp-image-630846353We komen op een grote open vlakte en zoeken een plek op het gras. Chloe heeft een doek meegenomen en we gaan de chips opeten, ondertussen gezellig kletsend. Dan gaat Chloe spontaan wat yoga-oefeningen met ons doen. Ik heb nog nooit yoga gedaan, leek me altijd saai. Het is echt zwaar, veel zwaarder dan ik had verwacht en zeker wel heel erg goed, want je gebruikt alle spieren, maar het is alsnog niet mijn ding. Ik doe liever iets op muziek, liefst Zumba. We besluiten om het park uit te lopen en op zoek te gaan naar een shoarma-tent. Alejo weet er wel één. Ik ben gewend om shoarma in een shoarma-broodje te eten, je weet wel zo’n platte, die opengesneden wordt en gevuld, maar dit is een wrap gevuld met stukjes vlees en rauwkost. Het is wel lekker. Ik neem er een “Pilsener” een Ecuadoriaans biertje  bij, Carmen een cola en Chloe en Alejo inca-cola, een typisch Zuidamerikaans drankje, dat in niets op cola lijkt. We nemen afscheid van Alejo. Ik voorgoed – naja, wel in de hoop, elkaar nog eens terug te zien – en nemen een taxi naar de artesania-markt. Daar ontmoeten we John, de vriend van Chloe en lopen over de markt. Ik ben op zoek naar een bepaalde sjaal, die ik in Baños gezien had, maar ik vind hem niet. Helaas. Ik koop nog wel een prachtige, warme en zachte omslagdoek, dan besluiten we naar huis te gaan. Het is omstreeks vijf uur. Carmen en ik nemen een taxi, Chloe en John gaan lopend. Thuis ga ik mijn koffers pakken, douchen en me voorbereiden op de terugreis. Het afscheid drukt al een aantal dagen op me en vooral vandaag. Nu het zo dichtbij komt vloeien wel de traantjes bij Carmen en bij mij. “Toen ik besloot om je te bezoeken, had ik er niet rekening mee gehouden, dat ik ook weer afscheid zou moeten nemen.” zeg ik verdrietig tegen Carmen. “Ik dacht alleen aan het weerzien en wat we allemaal zouden gaan doen.”. Ik haat het afscheid. Nu al voor de derde keer, dat ik zo ver van mijn kind weg moet. “Het is onmenselijk” zegt ik tegen haar. En zo voelt het ook. Alles in mij verzet zich ertegen. “Ik denk dat je wel in de koffer past”. Ik kijk haar taxerend aan. “Dan laat ik alle spullen wel hier”. Carmen lacht tussen de tranen door. Dan krijgt ze een appje van Jessy, met de mededeling dat ze er is. Ze heeft een auto geleend om mij naar het vliegveld te brengen. Zo lief! En super fijn. Om kwart over acht vertrekken we. Ik ga met Carmen op de achterbank zitten, zodat we nog wat kunnen knuffelen. Tijdens de rit hebben we het over een zaak van Jessy. Ze vindt haar werk helemaal leuk en vertelt er vol enthousiasme over. Na een klein uurtje arriveren we op het vliegveld. Het is een klein vliegveld, er is niet veel te doen. Ik had thuis al online ingecheckt. Nu check ik mijn bagage in. In Houston moet ik de bagage weer ophalen en opnieuw weer inchecken, gaat dus niet rechtstreeks naar Amsterdam. Tssss Amerika! Als ik mijn grote koffer kwijt ben, gaan we nog met z’n drietjes op een bankje zitten. Maar het afscheid opschuiven maakt het alleen maar moeilijker. We besluiten om maar in de zure appel te bijten en een laatste knuffel te geven. Die laatste knuffel worden er drie, weer vergezeld met een vloed aan tranen. Dan verman ik mezelf en ga de poort door, ik zwaai en weg ben ik. Ik ga door de pascontrole, handbagage check-in enzo, het wijst zich weer allemaal vanzelf. Ik loop maar gelijk naar de gate door. In het vliegtuig zit ik naast een vader met zijn zoontje. Ik had een plek aan het raam gereserveerd, maar die is dus door het jongetje ingepikt. Een steward komt de plekken controleren, want iets klopt er niet. De vader en zoon hebben tickets voor rij 24, maar dit is rij 25, dat verklaart het. De steward ziet wel dat ze verkeerd zitten, maar doet er niets aan, waarschijnlijk te ingewikkeld. Hij wijst iemand, die nu nog geen plaats heeft ergens een plek aan. De vader kijkt mij kopschuddend aan “United!” zegt hij. Dat is de vliegmaatschappij. Ik denk bij mezelf: nee, niet united, sufferd, jij zit zelf verkeerd. Maar ik laat het maar zo. Wat schiet je ermee op? Als het vliegtuig de startbaan oprolt en opstijgt begin ik weer te huilen. Niemand gelukkig, die het merkt door de herrie die het vliegtuig maakt. Een lange reis voor de boeg nu, via Houston en Washington naar Amsterdam. Ik ben om kwart over 8 op dinsdag avond uit Carmen’s appartement vertrokken en zal zo’n 30 uur later op donderdag ochtend in Doetinchem aankomen. Ik neem met mij mee een paar mooie souvenirs, onder andere voor in ons nieuwe huis en vooral een heleboel prachtige herinneringen en ervaringen. Hasta luego Ecuador, lieve vrienden en lieve, lieve Carmie, mooiste en liefste dochter van de hele wereld!!! Het blijft onmenselijk! :/

Dag 14: Teleferico en panecillo

Vandaag heeft Carmen weer een afspraak in verband met haar visum. Alejandro is vandaag de hele dag vrij en wil met mij wel de Teleferico doen. Dat is een kabelbaan, die je 2,5 km de berg Pichincha opbrengt tot zo’n 4100 m boven de zeespiegel. Maar eerst ga ik om negen uur naar de wasserij om onze was op te halen. Ik ben er om 10 over negen, maar de deur zit nog dicht, terwijl de openingstijden toch duidelijk vermelden, dat het zaakje om negen uur open zou gaan. Ik besluit om tot uiterlijk half tien te wachten, want om 10 uur zou Alejandro bij mij zijn. Er komt nog een andere man bij staan. Ik kijk regelmatig op mijn mobiel. Als het twee voor half is, denk ik: nog twee minuten, dan ga ik. En ja hoor, daar komt het vrouwtje aan. Ze doet de deur open en laat ons binnen. Ik geef de vuile was af en neem de schone weer mee. Ze herkent mij: “Carmen?” “Si” antwoord ik. Ze vraagt – denk ik – hoe het met Carmen gaat. Ik probeer haar uit te leggen, dat Carmen thuis is omdat ze ziek is. Geen idee of ze me snapt. Met twee grote zakken schone was verlaat ik het winkeltje en loop weer richting huis.
Ik had met Alejandro om 10 uur afgesproken, maar hij is laat. Ik wacht, het is hier in Zuid-Amerika niet vreemd, dat mensen niet precies op tijd zijn, maar dat had ik jullie al verteld. Vind ik ook geen probleem. Ik heb de balkondeuren opengezet, want Alejo gooit meestal met steentjes en roept als hij er is, zegt

Carmen. Om ongeveer 11 uur hoor ik mijn naam roepen. Ja hoor, daar staat hij op straat. Ik loop naar beneden en maak het hek voor hem open. Hij ziet bleek “Wat is er? Ben je ziek?”. “Nee”, antwoordt hij. Hij is niet ziek, hij heeft een aanrijding gehad en is bijna beroofd. Acharme! Kom snel binnen. Hij vertelt het verhaal: Hij had een auto geleend om met mij naar de teleferico te rijden, maar iemand is hem achterop gereden. Toen besloot hij de trolley te nemen. Hij heeft een broek aan met broekzakken onder aan zijn pijpen. Als hij merkt, dat iemand zijn mobiel uit zijn zak probeert te stelen, slaat hij instinctief. Het mobiel klettert bij de dief uit de hand op de grond. “Is hij kapot?” vraag ik. Hij weet het niet, heeft nog niet gekeken. Gelukkig blijkt het mobiel nog te werken en ook verder geen beschadigingen te hebben. Wel balen van de auto. Gelukkig niet zijn schuld en hij is ongedeerd.
Nu moeten we met de bus naar de teleferico. Alejo twijfelt of we wel moeten gaan. Het is erg bewolkt. Je zult niet veel kunnen zien. “Let maar op. Als we boven zijn klaart het wel op!”, zeg ik optimistisch. wp-image-418416612
Het is er niet druk. We hebben een gondel voor ons alleen. De kabelbaan brengt ons naar boven. Het is hier koud en waait heel hard. Ook is het nog bewolkt. We gaan eerst in het gebouw een kop koffie drinken. Er staat een automaat met vloeistof in verschillende kleuren, die je kopen kunt, als je last hebt van de hoogte. Want hier is de lucht ijl en heeft minder zuurstof. De gevolgen van de hoogte kunnen zijn: licht gevoel in je hoofd, hoofdpijn, duizeligheid, vermoeidheid en overgeven. We besluiten een stukje te gaan lopen. Als doel stellen we de elektriciteitsmast, die een stuk verder boven staat. Het is een steile wandeling en wordt steeds steiler naarmate we hoger komen. Telkens als we weer een helling hebben gehad, denk ik dat we er zijn, maar boven aangekomen rijst er weer een nieuwe berg op. Frustrerend! Mijn benen worden steeds zwaarder en de wandeling wordt steeds moeilijker. We komen langs een aantal paarden, die je kunt huren, maar ik wil niet. Ik wil zelf lopen. Maar oei wat is het zwaar. Een voordeel is wel, dat het niet meer waait en de hemel begint op te klaren. En hoe hoger we komen, hoe prachtiger het uitzicht wordt. Ook de vegetatie is verbazingwekkend. Gek als ik ben op planten en bloemen neem ik een foto van elke bloem die we tegenkomen. Deze bloemen heb ik nog nooit ergens eerder gezien! Ze bloeien alleen op deze hoogte. Zooo mooi!! We zien gegeven ogenblik ook een hele aparte vogel. Alejandro zegt, dat het zeer uitzonderlijk is, dat we die vogel zien. Als we bij de elektriciteitsmast zijn ben ik al tamelijk uitgeput. Maar je kunt nog verder. Tot helemaal bovenaan, maar dan moet je echt getraind zijn. Moeilijkheidsgraad 3, zegt Alejandro. Ik geloof het direct. Ik vind dit al vrij zwaar. En Alejandro stiefelt net zo makkelijk tegen de hellingen op. Het is vrij ru

wp-image-1028610414

stig. Alleen heel af en toe kom je mensen tegen. Alejandro vertelt over een vulkaanuitbarsting, toen hij een kind van vijf jaar was. In 1999. Hij weet het nog goed. Niemand mocht toen het huis verlaten, vanwege de as. Ik vind het super interessant. Daar hebben wij in Nederland nou nooit last van. Tegelijkertijd vind ik het toch wel een dingetje, dat mijn kind hier tussen al die actieve vulkanen woont, de komende maanden. Maar men schijnt hier tegenwoordig goed voorspellingen over te kunnen doen. Ik zet het idee van me af en concentreer me weer op onze wandeling.
Een eind verder op zijn nog twee heuvels. Alejandro noemt ze de “boobies”. Ik kijk hem aan: “Wel kleine boobies” zeg ik tegen hem. “Ik vind het eerder een kont”. Daar vindt hij ze nou weer te klein voor. Nou vooruit, we houden het wel bij de “boobies” en spreken af, dat we tot de tweede boobie proberen te klimmen. De hemel is intussen helemaal opengetrokken. De zon schijnt en we smeren ons in om ons tegen de sterke zonnestralen te beschermen. Ik heb af en toe contact met Carmen via whatsapp. Het gaat niet goed met haar visum. Ze heeft urenlang moeten wachten om te horen, dat ze ergens anders moet zijn. Het is echt om te wanhopen. Ze wordt van hot naar her gestuurd en is aan het einde van de dag nog geen stap verder gekomen. Ook zij is doodop van het lange wachten.
Wij gaan verder. Ondanks de zware klim hebben we fijne en interessante gesprekken over liefde, relaties, opvoeding, cultuurverschillen, enzovoort enzovoort. Ik loop te hijgen en te puffen, mijn benen worden steeds zwaarder, ik krijg echt last van zuurstofgebrek en we gaan regelmatig in het gras zitten of liggen om even uit te rusten. Alejandro heeft wat zoete crackertjes meegenomen. Ik merk, dat me de wandeling – als je het nog zo kunt noemen – veel energie kost. Maar – vreemd genoeg – herstel ik ook heel snel. Alejo zegt dat dat ook typisch is voor de hoogte. Als we bij de eerste boobie zijn ben ik de wanhoop nabij. Ik kán haast niet meer. Het laatste stuk gaat op pure wilskracht. Ik snap niet hoe Alejandro het zo makkelijk doet. Een groep Canadezen loopt ons voorbij. Dat is mijn eer te na “Fuck the Canadians” zeg ik tegen Alejandro. Hij moet lachen. “Ze hebben in Canada natuurlijk ook hoge bergen”, probeer ik mijn eigen vermoeidheid goed te praten. Ik ben anders altijd degene met zoveel energie en mijn leeftijd kan het natúúrlijk niet zijn. Zo jong zijn de Canadezen trouwens ook niet. “Ze zijn de hoogte natuurlijk gewend en waarschijnlijk geoefende bergbeklimmers.”, troost ik mezelf. Alejandro knikt, maar schijnt niet echt overtuigd. Als we op de tweede boobie aangekomen zijn ben ik aan het einde van mijn krachten. Mijn benen lijken wel van rubber en ik kan er nauwelijks nog kracht mee zetten. Boven aangekomen laat ik me plat voorover in het hoge gras vallen. Alejandro kijkt me verbaasd aan. “Ik kán niet meer” mompel ik in het gras. “Ik kan geen stap meer verzetten.” Alejo moet lachen. Ik til mijn hoofd op. Het is niet te geloven. De weg gaat nóg verder. Weer zo’n steile helling op. Ik laat mijn hoofd weer vallen. “Ja,” zegt Alejandro. “Dat heb ik je toch gezegd! Je kunt nog veel verder helemaal naar boven. Donderdag ga ik weer en dan ga ik tot helemaal daar, naar de grot.” Hij wijst de berg omhoog. Ik word er chagrijnig van. Dat zou ik ook graag willen! Maar behalve dat ik dat echt niet ga redden, is het inmiddels al drie uur. We hebben twee uur gelopen. En we moeten ook weer helemaal terug. Maar dat zal een makkie zijn, denk ik bij mezelf, al weet ik best, dat terug ook best zwaar in de benen zal worden. Maar altijd nog makkelijker dan omhoog denk ik. Ik maak boven nog wat foto’s, de Cotopaxi, de bekendste vulkaan is in de verte nu te zien. Op zijn top ligt sneeuw. We willen daar morgen naar toe. “Dat wordt een makkie vergeleken met dit” legt Alejo uit. Poeh! Gelukkig. Moet er niet aan denken om morgen nog zo’n klim te maken. We lopen terug, de berg weer af. Ik heb niet veel profiel onder mijn schoenen en Alejandro ook niet. Het zandpad is bezaaid met kleine steentjes en we glijden regelmatig uit. Meestal lukt het me om mezelf op te vangen en soms haakt Alejo mij onder, maar één keer val ik op m’n kont. Ik vang me met m’n handen op, die ik instinctief naar achteren uitstrek, maar nu heb ik pijn in mijn polsen. Aljeandro laat me zien hoe je het beste af kunt dalen, namelijk door als een paard in galop te gaan, wel langzaam en voorzichtig natuurlijk. We komen langs de Canadezen. Ze staan stil. We gaan langs, maar blijven dan staan, fakend om van het uitzicht te genieten, om ze weer langs te laten. “Ik wil niet vóór ze lopen” fluister ik Alejandro toe. “Ik heb echt geen zin om voor hun ogen op m’n bek te gaan.” wp-image-1549599951Haha. Alejandro lacht “Precies wat ik ook dacht” antwoordt hij. Als ze langs zijn lopen we ook weer verder. De afdaling is inderdaad wel makkelijker dan omhoog, maar mijn benen voelen nog steeds als rubber, waardoor ik niet echt goed controle over mijn benen heb. Maar we komen uiteindelijk toch heelhuids beneden aan en nemen de kabelbaan weer terug. We hebben weer een gondel voor ons alleen. Als de kabelbaan een beetje vreemd gaat doen, zet Alejandro grote, verschrikte ogen op. “Je hebt toch geen hoogtevrees?” zeg ik? “Je bent toch alleen pessimistisch?”. Hij knikt “Ja, ik heb ook geen hoogtevrees, ik wil alleen niet dood en dat is gewoon een hele logische gedachte.”. “Ach,” zeg ik “je kunt maar beter genieten van de rit voor je dood gaat…”. Maar alles gaat goed. Als we nog maar een meter of twee van de grond verwijderd zijn, deelt Alejandro mee, dat hij het nu niet meer zo erg zou vinden om af te storten. Ik moet lachen.
We stappen uit en moeten even moeite doen om de juiste bus te vinden. Dat heet, Alejandro moet moeite doen. Ik volg in alles als een gehoorzaam hondje. In de bus verzekeren we elkaar hoe trots we op elkaar en onszelf zijn, dat we dit gered hebben. Van de bushalte is het nog wat straten steil omhoog. Ik ben doodop, maar merk toch duidelijk, dat het hier veel makkelijker gaat, doordat ik minder zuurstofgebrek heb.
Als we thuis aankomen, ziet Carmen gelijk, dat ik helemaal kapot ben. Ik plof neer op een stoel. We moeten zien, dat we wat te eten krijgen. In de bus hadden we het er al over gehad, of we zelf zouden gaan koken of wéér iets halen, maar ik ben te moe om eerst boodschappen te doen en dan nog te gaan koken. Alejandro biedt aan om te gaan koken, maar ik beslis dat we wel ergens iets gaan eten of halen. De KFC is het dichtst bij, dus we gaan daar naar toe om wat te eten te halen en thuis op te eten. Als we met het eten weer thuis komen is Jessy inmiddels ook bij het appartement gearriveerd. Carmen deelt haar salade met haar en we maken plannen voor deze avond en morgen. Vanavond willen we namelijk nog naar de Panecillo, een berg midden in Quito waar een heel groot Maria-beeld staat. Morgen naar de Cotopaxi. Die is zo’n anderhalf uur rijden. We proberen een auto te huren voor twee dagen. Die kost 140 dollar. Pfff. Dat is best een hoop geld. Ik zal het alleen op moeten hoesten. Kan de kinderen niet laten betalen. Maar is het me dat waard? Ik moet er nu niet aan denken om morgen nog een berg te beklimmen en daarna nog ’s avonds aan een reis van bijna 30 uur te beginnen. Ik ben zooo moe!!! Wat is me de Cotopaxi waard? Het meest zorgen baart me de tijd. Vandaag zou een halve dag duren, maar we waren de hele dag kwijt. Een heerlijke, fijne dag, ik had niet anders gewild en Carmen was sowieso niet thuis geweest. Maar morgen…. dat is een ander verhaal, dan moet ik wel op tijd mijn vliegtuig halen. Wat als we pech onderweg krijgen? Of om één of andere reden oponthoud hebben? Kan ik dan nog wel van het uitstapje genieten? Ik spreek mijn twijfels uit. “Jij moet het zeggen, mam”, antwoordt Carmen. Ik beslis om de Cotopaxi niet door te laten gaan. “Ik vind het alleen jammer, dat ik nu niet op een vulkaan heb gelopen” zegt ik verdrietig. “Are you kidding!?” roept Alejo verontwaardigd uit. Hij lijkt echt wel een beetje boos. Oeps. “Waarop denk je dat wij de hele dag hebben rondgelopen?” vraagt hij, zijn handen in zijn zij zettend. “Uuuuh… een ….. vulkaan?” gok ik. “Ik heb je toch verteld van die uitbarsting in 1999!?”. Euh.. ja… was dat deze vulkaan dan? Ja, dat was deze vulkaan. De Pichincha is een actieve vulkaan. Ooooh, dan!!! Ik ben in mijn sas. Ik ben een hele dag op een vulkaan rondgelopen! Alejandro zoekt op mijn mini-laptop op google earth de Pichincha op. “Kijk, hier hebben we gelopen. Dit is de electriciteitsmast, dit zijn de boobies en hier een stuk verder op… zie je dat…. dat is de krater.”. Ik ben overtuigd. Haha, de Cotopaxi kan me gestolen blijven. Ik heb op een vulkaan gelopen! We beslissen om morgen in Quito te blijven, om in een park te gaan picknicken, Shaorma te eten, shisha te roken en een artesania-markt te bezoeken. Ik voel me opgelucht. Dat lijkt me een veel beter plan!
En vanavond nog naar de Panecillo met de taxi voor een paar dollar. Helemaal goed!
We maken ons klaar om te gaan en laten ons in een taxi de berg genaamd Panecillo – “klein broodje” oprijden.  De 45 meter hoge madonna stelt de vrouw uit openbaring/apocalyps voor, vertelt Alejandro. De draak ligt aan een ketting aan haar voeten. Ik ben wederom blij met Alejo’s kunde. Hij denkt, dat hij een goede gids zou zijn. Ik weet het wel zeker! En zeker met zijn goede Engels en zelfs een beetje Duits. Het standbeeld is niet oud, uit 1976 en van aluminium gemaakt. Het is indrukwekkend, zo badend in het kunstmatig licht. Ook indrukwekkend: Quito by night. Carmen en ik staren er gearmd naar. Mijn afscheid van nachtelijk Quito. Ik wil niet verdrietig zijn, maar elke minuut genieten, die mij hier nog rest.
wp-image-79544456Morgen nog een hele dag.. . We bestellen bij één van de kraampjes Canelazi. Alejandro vindt dat het net een Europeese kerstmarkt is. Grappig, ik had precies dezelfde gedachte. Alejo kent Europa, doordat hij een hele poos in Zwitserland is geweest. Daar heeft hij ook wat Duits leren spreken. De Canelazi zou dan de Glühwein zijn. En de zoete empanada en een soortgelijk ander zoet baksel, dat Jessy bestelt en ik ook mag proeven – hmmmm – heerlijk!!! –  zouden wel “Krapfen” – oliebollen kunnen zijn. We gaan aan houten picknicktafels zitten en genieten van de drank en de snack. En aantal honden komen naast ons staan, met grote hongerige ogen wachtend op een stukje lekkers. Geen idee, waar die ineens vandaan komen. Je hoeft in ieder geval niet bang zijn voor honden hier. Ze zijn heel lief en laten je altijd met rust. Misschien zijn ze wel juist liever, omdat ze altijd los mogen lopen. Ik weet het niet. Ik ben er in ieder geval niet bang voor, al hou ik de tip van GGD in gedachten, om ze voor de zekerheid niet aan te halen.
We besluiten om weer naar huis te gaan. Maar waar zijn de taxi’s als je ze nodig hebt? We zoeken een poos, dan gaat Jessy bij een kraampje vragen, of ze een taxi willen bestellen. Voor 4 euro rijden we weer naar huis en nemen afscheid van elkaar.
Wat een heerlijke dag weer! Ik ben helemaal kapot en kan niet wachten om in bed te kruipen, maar ik kijk terug op een onvergetelijke dag, mede weer dankzij Alejandro, Jessy en Carmie!!

Dag 13: Watervallen en canopy

PhotoGrid_1501702456194[1]Na drie uur slaap gaat om acht uur de wekker. Ik kom heeel moeilijk uit de slaapmodus, maar we zouden om negen uur ontbijten, om om tien uur weer een toer met de chiva te doen. Ditmaal naar de watervallen. Om half negen sta ik met veel moeite op, spring nog een keer onder de douche en kleed me aan. Maar de meiden zijn nog niet zo ver. Om half tien lopen we dan het stadje in op zoek naar desayuno – ontbijt. In een eettentje nemen we een zogenaamd Amerikaans ontbijt, een broodje waar een soort kaas in zit, een schaaltje met roerei, een vruchtensap en heet water of hete melk. Ik neem heet water, maar ben mijn thee vergeten, nu moet ik er koffiepoeder indoen. Bah, veel te sterk.
Na het ontbijt lopen we weer naar het hotel terug om daar op de chiva te wachten. We gaan vandaag een tocht langs de watervallen maken. Ik heb op internet gelezen, dat dat nogal tegenviel, dus ik heb niet al te hoge verwachtingen. Deze keer zitten we helemaal vooraan. Ideaal om foto’s en filmpjes te maken. De rit gaat door overweldigend natuurschoon. Het zonnetje schijnt, we rijden weer met heerlijke reggaeton-muziek door het prachtige gebergte. Ik film en maak foto’s, maar je moet het zelf meegemaakt hebben: rijdend door het Andesgebergte in een open chiva met heerlijke muziek en zingende, vrolijke mensen. Als we door een tunnel gaan, vraagt de gids door de microfoon, of we ons vermaken en iedereen joelt zo hard, dat het in de tunnel weergalmt. De tunnel is onverlicht en de discolampen in de bus gaan aan. We komen langs kleine gehuchten, gewoon een paar armoedige huisjes langs de straat, langs ravijnen, rivieren en watervallen. Sommige watervallen, komen op de straat uit, zodat mensen de mensen aan de linkerkant naar rechts moeten leunen om niet nat te worden. De chauffeur gaat er extra dicht langs. We stoppen bij een plek met een overhangende rotsformatie met lianen, genaamd de Puertas del Cielo en bij een rots, die opvallend veel gelijkenis met het gezicht van Jezus heeft (zoals hij in ieder geval vaak wordt voorgesteld). Dan stoppen we bij een hogergelegen punt en gaan een gebouw binnen. Hier staat een grote tv. We gaan allemaal om die tv heenstaan en een señor steekt een verhaal af en laat filmpjes zien. “Oh”, zeg ik tegen Carmen. “Dit is gewoon reclame”. En inderdaad, er worden verschillende filmpjes geshowd over wat je hier kunt doen, namelijk via een kabel over het ravijn en de daarin voortstromende rivier glijden. “Canopy” genaamd. Dat kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld ook op de kop. In één filmpje wordt zelfs een hond in het tuig gehijst en naar de andere kant van het ravijn bevorderd. Iedereen vindt het helemaal geweldig en leuk. Alleen Carmen en ik kijken elkaar ontzet aan. Hier scheiden zich de culturele wegen tussen ons en het overige publiek: “Waarom zou je dat doen?” fluister ik Carmen toe. We begrijpen elkaar. Arme hond. Toch lijkt hij het niet erg te vinden.
“Wil jij het doen, mama?” vraagt Carmen mij. Ik twijfel. Uiteindelijk beslis ik om het wel te doen. Eerst wil Carmen mee, dan weer niet. Ik ben al ingepakt, als Carmen besluit om tóch ook te gaan. “Weet je dat zeker, meis?”. Ze heeft zo’n hoogtevrees! Ik denk aan de tijd, dat ze nog een kleine purk van misschien twee jaar was. Mijn vader lag in het ziekenhuis op de zoveelste verdieping en we gingen hem bezoeken. Argeloos zetten we Carmen in de vensterbank neer. Het kind stond stijf van schrik en strekte beide armen en benen uit tegen het raam en zette grote ogen van angst op. Ze stond klaarblijkelijk doodsangsten uit bij het zien van deze hoogte. Okee, zeiden we tegen elkaar, dit kind heeft dus duidelijk hoogtevrees en haalden haar snel van de vensterbank. Nooit ben ik dat moment vergeten, omdat zo duidelijk uit het niets een hele duidelijke fobie bleek.
En nu deze actie! Aan een kabel over een ravijn! Zie je het voor je? Je hoeft niet eens diepgewortelde hoogtevrees te hebben om doodsangsten uit te staan! Waarom moet ze zich nou steeds dwingen, om over drempels heen te gaan?! En voor iemand met hoogtevrees is dit geen kleine drempel, maar like huge!!! Maar ze wil echt. Als ik haar in vol ornament zie staan, valt mijn oog op de helm op haar hoofd. Ook ik heb natuurlijk een helm, het hoort bij de uitrusting. Mijn blik valt haar op. “Wat kijk je?”. Quasi nadenkend antwoord ik: “Ik vraag met af welk nut die helm heeft. Denk je dat die ook maar ene zak helpt, als we afstorten?”. Uit Carmen’s gezichtsuitdrukking kan ik aflezen dat ze niet bepaald in haar sas is met mijn tactische opmerking. Oeps. Misschien had ik als liefhebbende moeder deze opmerking wel beter achterwege kunnen laten..
We klimmen de trap op en komen op een platform. Daar staan twee mannen te wachten om ons aan de haak te slaan, om het zo te zeggen. Haha. Aan de karabijnhaak dan, hè! “Superman?” vraagt hij ons. Ja, superman. Dat wil zeggen dat we op onze buik gaan en gaan vliegen als superman. “Mam, hou je wel mijn hand vast?”. Jazeker doe ik dat. We worden opgehangen en pakken elkaar aan de hand vast. “Mama vind t eng, kan ik nog naar beneden voel helemaal de adrenaline. Oh shit, wil niet meer.” Te laat! Daar gaan we!

Het is een best stuk en ik word emotioneel heen en weer geslingerd tussen bezorgdheid om Carmen en het heerlijke gevoel van over een ravijn te vliegen en je te voelen als een vogel. Carmen echter blijft de hele “vlucht” krijsen, met wijdopen ogen!  Aan de andere kant aangekomen staat Carmen te trillen. Ze heeft doodsangsten uitgestaan! We worden uit onze superman-outfit gehaald en ik knuffel haar. Wat een kanjer! Ik ben trots op haar.
We staan even in het zonnetje te wachten, tot we door onze chiva worden opgepikt. Jessy, die alles film- en fototechnisch heeft vastgelegd zit ook al in de chiva. En verder gaat de rit. De volgende stop is bij een waterval. Het is een stukje lopen, een wandeling van 20 minuten. Jessy heeft hakken aan en Carmen wil bij haar blijven, lijkt me ook beter voor haar, dus ik ga alleen met de groep. Onze gids doet zijn best om de club een beetje bij elkaar te houden, maar het is nogal druk. Ik besluit om een paar mensen uit mijn groep te onthouden en in hun buurt te blijven: drie jongens, waarvan er één een zwart-rood beblokte bloes draagt, net zo één als Danilo ook heeft, dat is makkelijk te onthouden en natuurlijk de gids. De wandeling is prachtig, echt al een beetje amazone-gebied. Dan komen we bij een hele lange houten hangbrug, die over een ravijn voert. Er mogen niet meer dan 50 mensen op, niet dat ook maar iemand zich daar iets van aantrekt. Het is erg wiebbelig lopen over de brug van houten planken. Maar ook erg leuk. Aan de overkant gaat het pad verder en komen we bij een prachtige waterval. Je kunt er heel dicht bij komen, eigenlijk sta je er direct naast. Met donderend geweld komt de brede stroom met water naar beneden om onderaan als rivier verder door het ravijn te stromen. De naam van deze waterval is: “El Pailon del Diablo” – de ketel van de duivel. En een duivelse ketel vol kolkend water lijkt het inderdaad wel. Ik wil natuurlijk weer helemaal naar beneden lopen en foto’s maken, maar verlies daardoor de rest van de groep. Maakt niet uit, er is maar één weg, dus ik kom ze vanzelf weer tegen. Ik ga de hangbrug weer over en aan de andere kant vind ik de drie jongens weer. Ik probeer ze onopvallend te volgen, maar ze moeten inmiddels toch denken: wat een raar gringa-mens. haha. Never mind. Als ik maar niet verdwaal. Onderweg prachtige vegetatie, die ik met mijn super samsung-s7-edge-carmera vastleg. Ik arriveer weer bij de dames. De maagjes rammelen, ik wil nu eindelijk eens zo’n gebakken banaan, die ze op elke hoek van de straat staan te roosteren en hier dus ook. Jessy en Carmen nemen een maiskolf en we klimmen weer in de chiva, die ons crossend door de bergen met vrolijkheid, harde muziek en in de zonneschijn bij het laatst punt van onze tour brengt: met een kabelbaan van de ene berg naar de andere. Voor mij vandaag de derde keer dat ik een ravijn oversteek. De oude bus rijdt weer richting Baños weer bij ons hotel brengt.PhotoGrid_1501702615932[1]
Daarmee is ons bezoek aan Baños helaas ook we. de gids drukt mij een pastic fles gevuld met canelazi en twee plastic shotbekertjes in de hand. We drinken en geven door. Dan brengt de chiva ons weer bij het hotel. Daarmee is ons bezoek aan Baños helaas ook weer teneinde gekomen. We halen onze koffers, betalen de rekening en lopen naar de terminal. We zijn driekwartier te vroeg en ik loop nog in mijn eentje wat winkeltjes af, terwijl de chica’s, spreek Carmen en Jessy, op onze bus zitten te wachten. Als ik terugkom, kunnen we instappen. De meiden zitten naast elkaar en vóór mij, ik kom naast een jonge man te zitten. We komen al snel aan de praat. Hij heet Luiz, is 32 jaar, woont in Banjo en werkt in Quito. Hij is ongetrouwd en woont bij zijn ouders. Dat is hier heel gewoon. We kletsen wel een uur of anderhalf. Maar eigenlijk ben ik heel moe en wil even de oogjes dicht doen. De twee dames voor mij zijn al naar dromenland verdwenen. Ik sukkel ook in slaap. Na drie uur komen we weer in Quito aan en nemen de bus naar huis. Van de trolleyhalte is maar een klein stukje lopen. Dicht bij het appartement is de KFC. We gaan er iets eten, dan naar huis. Ik realiseer me nu, dat het appartementje toch eigenlijk wel heel erg luxe en mooi is, nu ik wat meer te weten gekomen ben over de behuizingen in Ecuador. Fijn om weer thuis te zijn.
We waren eigenlijk van plan geweest om samen met Alejandro vanavond nog naar de Panacillo te gaan. Dat is een berg, die zich midden in de stad bevindt en waar een enorm grote madonna staat te prijken, maar we krijgen Alejandro niet te pakken en eigenlijk ook best wel heel erg vermoeid. We besluiten om er morgen naar toe te gaan en gaan nu ons bedje opzoeken.