Dag 21 (Camino dag 1): Cobreces – “Buen Camino”
Met het krieken van de dag staat iedereen op. Wij hadden het idee om lekker vroeg te beginnen, maar blijkbaar denkt iedereen op de route er zo over! Gisteren raakte iedereen in de stress om al twee, drie of zelfs meer dagen vooruit een slaapplek te boeken, terwijl wij er op dat moment nog niet eens één hadden voor de komende nacht. Wel had Carmen twee opties opgezocht die ze later op de dag wil bellen. We zijn van plan om vandaag zo’n 17 kilometer te lopen; ongetraind en met zware rugzakken lijkt ons dat al een hele mooie uitdaging.

Eerst lopen we naar Santillana del Mar, een prachtig middeleeuws stadje met een Romaanse kerk uit de elfde eeuw. We kijken onze ogen uit! Maar wanneer we het plaatsje weer uit lopen, gaan we direct al verkeerd. Oeps… We moeten beter oppassen en goed op de bekende gele pijlen met de Jacobsschelp letten. Verder is het een schitterende route: berg op en berg af, door prachtige natuur, pittoreske dorpjes en langs oude kerkjes. Onderweg komen we steeds weer mensen tegen die ons vrolijk “Buen Camino!” toewensen.

Af en toe pauzeren we en worden we ingehaald door mensen die in dezelfde herberg hebben geslapen. Op een gegeven moment lopen er twee Amerikanen achter ons. Zij is onophoudelijk aan het praten, waar Carmen enorm door getriggerd raakt. We houden een plaspauze zodat het stel ons kan passeren—mooi zo! Maar even later zitten zij ergens te pauzeren en lopen wij hen weer voorbij. Carmen geeft aan dat als dit zo doorgaat, ze gewoon gaat vragen of ze het goed vinden om een stiltewandeling van een uur te maken.

We komen bij een waterpunt met een bankje in een parkje en besluiten even te rusten. De ‘Amerikanen’ vragen of ze bij ons mogen komen zitten en schuiven aan bij hetzelfde tafeltje. We raken aan de praat. Ze blijkt helemaal geen Amerikaanse te zijn, maar een Poolse, en hij is een Engelsman. We hebben het over slaapplekken; zij hebben gereserveerd in Cóbreces, in een van de herbergen die Carmen al op haar lijstje had staan! Carmen belt meteen en gelukkig hebben ze inderdaad nog plek voor ons. Wauw, wat een geruststelling! Op dat moment komt er ook een Vlaamse vrouw langs die we gisteren in de herberg hebben leren kennen. Ze loopt samen met haar moeder, die voor één dag gezellig meewandelt. We kletsen even, waarna het Engels-Poolse stel en later ook wij weer verder trekken.
Het pad kronkelt omhoog de berg op naar een prachtige, oude kerk die op de berg in de middle of nowhere staat. Voor de kerk zitten de Poolse en de Engelsman alweer, samen met iemand anders. Wij voelen niet de behoefte om te stoppen en lopen door. Een stukje verderop zoeken we schaduw in de berm onder een boom. We zitten bijna in de paardenstront, maar proberen er net naast te blijven. Carmen spreidt haar isolatiematje uit en we gaan lekker zitten rusten. En hoor eens wie daar even later bovenlangs komen lopen? De Poolse en de Engelsman! “Ik benijd jullie om jullie plekje!” roept ze lachend, waarna ze verder wandelen.
Onze weg vervolgt over de bergen, langs dorpjes en kerkjes. Op een gegeven moment zien we in de verte zelfs de zee glinsteren. We zouden er heel graag naartoe willen voor een verfrissende duik, maar het is te ver van de route. We zwoegen verder berg op en berg af met onze zware tassen. De lucht begint ondertussen steeds meer te betrekken en kleine hagedisjes schieten voor onze voeten heen en weer over het pad. In de verte zien we de regen al vallen, maar we hebben nóch een beschermhoes voor onze rugzakken, nóch regenkleding voor onszelf bij de hand. Het begint flink te donderen, maar wonder boven wonder bereiken we droog onze herberg.
Het onderkomen is een oud en immens groot gebouw met wel 200 bedden; vroeger was het een internaat. Het voelt beklemmend voor me, als een gevangenis. We checken in en mogen een stapelbed uitkiezen in een kamer met tien stapelbedden. Onze Poolse vriendin blijkt toevallig op dezelfde slaapzaal te liggen. Carmen gaat even liggen om te rusten, terwijl ik een rustig plekje zoek om mijn blog te schrijven. Ik loop naar een buitenplein met een mooi uitzicht op een oud kerkje op een heuvel. Ik ben helemaal alleen op het grote plein, ga op een bankje zitten en begin te schrijven.
Plotseling slaat het weer om. Het begint te onweren, de lucht wordt inktzwart en de geiten die op het grasveldje voor de kerk stonden te grazen, rennen in galop weg met luid klinkende bellen om hun nek. Het begint te regenen. Ik hoor een deur op slot gaan, maar ik wil eerst mijn verhaal afmaken. Wanneer ik naar binnen wil lopen, blijkt de deur inderdaad al dicht. Gelukkig is de herbergier net bezig om de tweede deur op slot te draaien; als hij mij ziet, gebaart hij snel dat hij de deur weer voor me opendoet en laat me binnen.
Aangezien we nog niet hebben gegeten en Carmen wakker is geworden, besluiten we het stadje in te gaan op zoek naar een supermarkt. Het blijkt meer een klein krap kiosk-winkeltje te zijn waar ze ook wat groente, fruit en levensmiddelen verkopen. Het is er bomvol en het assortiment is beperkt. We halen wat water, een alcoholvrij biertje, sinaasappelsap en een hele grote paprika. Met onze buit lopen we terug naar de herberg, terwijl het licht begint te miezeren.
In de enorme eetzaal gaan we helemaal in ons uppie aan een van de lange tafels zitten. We peuzelen onze paprika op en proosten met ons biertje op onze allereerste pelgrimsdag—en op het feit dat we een dak boven ons hoofd en een bed hebben!
Moe van de lange dag besluiten we vroeg naar bed te gaan zodat we morgen weer op tijd kunnen wandelen. Op de zaal is nog niet iedereen in rust. Ik lig eerst nog bij Carmen boven op haar bed en we praten over hoe we er allebei van balen dat mensen hun slaapplekken zolang van tevoren boeken. Daarmee gaat voor ons een stuk van de magie en het echte doel van een pelgrimsreis verloren. Daarna verhuis ik naar mijn eigen plekje onderin. Het verbaast me hoe stil iedereen op de zaal is; alle pelgrims respecteren elkaars rust enorm. Eenmaal in mijn bed lig ik nog heel even wakker, maar al snel val ik in een diepe rust en slaap ik de hele nacht aan één stuk door.
