Dag 14: Ergens in Portugal
Avontuur bij de watervallen van Espinhal
Zaterdag 1 augustus 2026. Al vroeg in de ochtend vertrekken we naar de watervallen in Espinhal, ongeveer een half uur rijden. We gaan met de pas gekochte Frontera. Leigh rijdt en Rudrigo zit naast hem. Ik zit op de achterbank met Pipoquina, die lekker tegen me aan komt liggen. Tink en Belbel zitten achter mij in de grote, open kofferbak. In het begin steken ze steeds hun kopjes omhoog en vooral Belbel wil naar voren springen, maar uiteindelijk wennen ze eraan en worden ze rustig.

De wandeling langs de beek en watervallen blijkt een zware tocht: klimmend en klauterend over rotsen en boomwortels langs steile hellingen. De grootste watervallen zijn al vrij snel in het begin van de route. We willen daar een duik nemen, maar daarvoor moeten we eerst oversteken. Ik twijfel even; ik kan aan deze kant blijven wachten, wat veiliger is, maar ook een stuk minder avontuurlijk. Onder de waterval gaan staan lijkt me immens geweldig! Ik hoef niet lang na te denken en volg de mannen.
Het water is heerlijk koud. De mannen staan al onder de waterval en ik zwem er naartoe. Leigh roept nog dat er een platte steen ligt, maar die kan ik niet vinden. Het koude water klettert met volle kracht op me neer. Mijn hemel, wat een gigantisch gevoel! Ik schreeuw het uit vanuit het diepste van mijn ziel.

Daarna vervolgen we onze weg verder de steile berg op. Het pad leidt over houten bruggetjes en langs oude, met mos bedekte stenen die ooit de muren van een huisje vormden. Op de circa vijf kilometer lange tocht komen we slechts twee keer mensen tegen; we hebben de natuur praktisch voor ons alleen. Mijn benen beginnen wel erg moe te worden. Ik moet soms gigantische stappen nemen om van de ene naar de andere steen te komen, wat veel vraagt van mijn spieren.

Eenmaal boven bevinden we ons ineens weer in de ‘geciviliseerde’ wereld: houten hekjes, parkbankjes, een toilet- en douchegebouw, en een zwembad dat is aangelegd met het opgevangen water uit de waterval. Er staan parasols met ligplekken langs de kant. We voelen er niet veel voor om tussen de mensen te gaan liggen—al is het niet megadruk—en zoeken een parkbankje op om onze lunchbroodjes met kaas en tomaat op te eten.
Na de lunch spreidt Rudrigo een kleedje uit op het gras en ploft Leigh ergens op de bosgrond neer. Ik baal dat ik geen boek, haak- of breiwerk heb meegenomen, want slapen lukt me niet. Ondertussen heb ik nog een videocall met Carmen over de Rainbow Gathering en alle beslommeringen rondom de organisatie ervan.
Leigh begint al iets eerder aan de terugweg. De route terug gaat wat sneller en makkelijker omdat het voornelijk bergafwaarts is, maar dit spreekt mijn spieren weer op een heel andere manier aan en vergt opnieuw veel van mijn benen. Twee keer glijd ik uit en val op mijn achterste. Mijn energiepeil zakt steeds verder richting het nulpunt; ik ben echt helemaal op.

”De laatste loodjes!” roept Rudrigo over zijn schouder. Ik blijf steeds een stukje achter lopen. Soms ga ik maar gewoon op een grote steen zitten om me naar beneden te laten zakken, of zoek ik achterwaarts houvast met mijn voeten op een uitstekend rotsrandje. Ik wil heel voorzichtig doen met mijn enkels.

Aan het einde van de route nemen we als beloning nog een laatste duik in het koude water en rijden daarna terug naar huis. Ik ben helemaal kapot; het is lang geleden dat ik me zo moe heb gefeeld. Om 21:00 uur is het voor mij dan ook bedtijd en duik ik heerlijk mijn bed in.