Het is bijna zes uur in de avond. Ik zit aan één van de tafeltjes bij de swimming pool. Vanuit het restaurant hiernaast, dat aan de voorkant helemaal open is, klinkt latijns-amerikaanse muziek. Links naast mij zit een grote groep Colombianen te chillen. Regelmatig worden er drankjes bij hun gebracht. Rechts naast mij zit een stelletje. Het is bewolkt, maar de temperatuur is heerlijk. Tropische vogeltjes vliegen langs mij heen en weer en tjilpen de zon gedag. Het begint donker te worden.
Cor en Danilo zitten op de kamer TV te kijken, Carmen is nog bij haar Abu.
Het was een fijne, rustige dag.
We zijn vanmorgen wat langer blijven liggen. Ontbijten kan tot tien uur, maar toen we om half tien bij het restaurant kwamen, was alles leeg. Geen buffet, alleen een stelletje dat nog eenzaam zat te eten. We gingen aan een tafel zitten. Een serveerster kwam de bestelling opnemen. Dat ging zoals gewoonlijk moeizaam, met het kleine beetje Spaans dat wij kunnen en de totale afwezigheid van enige Engels-kennis van haar kant. Daar kwam nog bij, dat er geen menukaart was voor het ontbijt. Ze vroeg of we “caldo” wilden. Wij vroegen of het brood is: “pan?”. “Si” antwoordde zij. Altijd goed. We wilden dus pan met roerei, zonder ham en ja, we wilden wel fruta (fruit). Na een poosje kwam ze aan met soep. Okee, dat bleek dus “caldo” te zijn!? De soep was zout, er zaten grote stukken aardappels in en een groot stuk vet vlees. Als klap op de vuurpijl het inheemse kruid. Ik probeerde wat te eten, maar gaf na een paar happen op.
Het is niet eens goed voor mij, waarom zou ik mij ertoe dwingen? Ik at een klein zoet broodje met roerei en vroeg om een kom met melk en heet water voor in mijn thermosbeker. Ik kreeg warme melk, maar never mind, warme havermoutpap is ook prima. We namen ons voor om morgen toch wat eerder op te staan, zodat we bij het buffet zelf kunnen kiezen.
Cor, Danilo en ik vertrokken richting winkelcentrum en lieten Carmen in het hotel achter. Zij zou proberen om later op de dag nog naar abu te gaan.
In het winkelcentrum kochten we wat leuke dingetjes: Danilo een jeansjasje en overhemd, ik een tas en een portemonee. Ook hier, in de chiquere winkels komt er steevast een verkoper of verkoopster op je af. Weliswaar wat minder opdringerig, dan in de winkeltjes in het centrum, maar we blijven het moeilijk vinden om eraan te wennen. Als je duidelijk maakt, dat je alleen wilt kijken lopen ze óf achter je aan, óf voor je uit, verschillende dingen met een uitnodigende handbeweging tonend: “Dit zijn oorbellen, hier heb ik kettingen en hier hangen de armbanden”, alsof ik dat zelf niet kan zien. Of ze komen met een item aanlopen, dat zij waarschijnlijk helemaal geweldig vinden. Hoezo zou ik van de duizend-en-één dingen in deze winkel uitgerekend dit stuk mooi vinden? Zij wederom vinden het maar vreemd, dat we geen Spaans spreken.
Zo liepen we bijvoorbeeld een kledingzaak in. Een verkoopster kwam naar ons toe. de vloed aan Spaanse woorden beantwoordde ik zoals altijd met: “No hablo Español”. Ze keek eerst mij, dan Cor aan. Okee, geen probleem, die zien er buitenlands uit. Ze wendde zich tot Danilo, hij kreeg een heel verhaal in het Spaans over zich heen. “Uh, no hablo Espańol”. Ze keek hem verbijsterd aan: “No?” – “No!”. Ze lag in een deuk, liep naar haar mannelijke collega bij de kassa en zei iets tegen hem. Ze vonden het beiden super raar! Ze kwam weer terug keek nog een keer naar Danilo en moest weer lachen. Ze snapte er niets van. Dit is maar één voorbeeld; het is ons ook al vaker met Carmen gebeurt: Dat wij geen Spaans kunnen à la, maar die Colombiaanse jonge mensen? Echt vreemd! Wij zijn hier sowieso vrij exotische vogels. In de supermarkt, in de rij bij de kassa, kon een klein meisje haar ogen maar niet van ons afhouden, vooral niet van Cor, vast ook door de vreemde klanken, die we uitstoten. We zijn hier nog geen Europeanen tegengekomen. Ook geen mensen, die Engels kunnen, zelfs in het zogenaamde 4-sterren hotel niet. Het is haast een wonder dat Carmen’s oom en tante een beetje Engels kunnen en wel super fijn.
We sloegen weer wat boodschappen in, voornamelijk water en bier en mijn onmisbare haver en stapten in een taxi, die ons via een veel kortere route dan de taxi van de heenweg naar het hotel bracht. En dat was nog wel een taxi van het hotel! Smiecht! Ik was nu maar de helft kwijt..
En nu zit ik dus hier, te werken aan mijn blog.
Carmen is nog bij Abu, maar zal met het avondeten om 19.30 weer terug zijn. Ook vanavond zullen we weer in het hotel eten, dan nog even chillen op de kamers en onze bedjes inkruipen.
Morgen willen we eventueel gaan paardrijden.










Ik app 
Aan het ontbijt zijn we inmiddels een beetje gewend. Er is haast geen keuze, ik eet elke ochtend melk met havermout en een toastbrood met roerei met een kopje thee. Ik heb me erop ingesteld. ..
Om vijf uur gaan Cor en ik een stukje wandelen. We willen wel eens zien of we de pensions, waar we toen hebben gezeten, terug kunnen vinden. Met Carmen’s adoptie hebben we in Hotel Paris gezeten, dat dichterbij ligt en met Danilo in Casa Nueva. Ik weet de weg nog wel, tussen de huizen door langs een smal voetpad. Af en toe moet je een grote straat oversteken. We komen in de straat, waarvan we denken dat Hotel Paris staat. Maar we herkennen niets, allemaal grote nieuwe flats. We twijfelen ook over de straat, we weten het niet precies. Alles is zo veranderd. We lopen verder langs een pad. Cor herkent het: “Daar komt straks een parkje met het electriciteitshuisje, waar we geschuild hebben, toen er geschoten werd.” We komen bij een speeltuintje en inderdaad: daar staat het huisje. Alle huizen eromheen zijn veranderd, maar het huis waar destijds de inval was staat er nog. Vreemd, in mijn herinnering stond het huisje veel verder van straat. We vinden ook het bruggetje, dat over het riool voert.
Hierlangs gingen we naar de kapper en als je dan verder liep, kwam je bij Casa Nueva. We vinden de kapper. Wat is dat huis prachtig geworden. Het was toen al de beste kapper van Bogota, er kwam de high society en beroemdheden. Nu duidelijk nog steeds. Dure auto’s op de parkeerplaats, Porsche’s en zo. We lopen verder. De kleine eenvoudige winkeltjes van toen hebben plaatsgemaakt voor mondaine, elegante zaken. We zijn totaal verrast. We herkennen niets meer terug. Het souvenirswinkeltje, waar we vaak naar toe gingen, is verdwenen en daarmee hebben we geen aanknopingspunt meer, wanneer we naar links af moeten om bij Casa Nueva te komen. We lopen langs de grote straat en kijken bij elke zijstraat aan de rechter kant, of we iets bekends zien. Cor meent in één van de straten een groep bomen te herkennen.
We lopen de straat in en zien gegeven ogenblik links een klein pad. “Hier liepen we altijd in”. Ik kan me maar heel vaag herinneren. We gaan nog een keer links. Hier zou het wel eens geweest kunnen zijn. We weten het niet zeker, maar we menen het buurhuis en het huis tegenover te herkennen. Het was vroeger wit en inderdaad onder de gele verf, die hier en daar afbladert, is nog wat wit te zien.








