Half zeven word ik wakker. De hoofdpijn is verdwenen. Ik probeer nog wat te slapen, maar het lukt niet echt. Dan maar opstaan. Ik laat Carmen lekker verder slapen. Ze voelt zich niet goed, is heel erg verkouden. Het licht in de badkamer heeft het nu helemaal begeven. Ik steek een paar waxinelichtjes aan en ga onder de douche. Het water is heel even warm, dan blijft de douche koud. Brrr. Ik ga er weer snel onder vandaan, poets mijn tanden, doe mijn lenzen in en ga in de keuken de vaat opruimen en het fornuis schoonmaken. Daarna achter de laptop, tot Carmen opstaat. Oei, die is helemaal niet fit! We ontbijten en gaan dan op pad. Ze moet naar de immigratiedienst of zoiets voor haar visum, zodat ze nog drie maanden langer blijven kan. Ze is er al eerder geweest. Bij de tramhalte kijk ze op de route. “Los Flores, daar moeten we uitstappen” zegt ze. Ze is er al een keer met Jessica geweest. Voor de zekerheid vraagt ze het nog aan een personeelslid van de tram. Die geeft een andere halte. Ze vraagt nog een ander iemand, ook hij geeft die andere halte aan. Okee, dan gaan we daar. We stappen bij de bewuste halte uit en we gaan op zoek. Ze herkent niets en vraagt mensen op straat. Het is een vreselijk gezoek en we zijn inmiddels al te laat voor de afspraak. Eindelijk vinden we het. We gaan naar binnen en Carmen gaat naar het loket. Maar we zijn verkeerd. We krijgen een ander adres. Blijkbaar moeten we toch bij halte “Los Flores” zijn. Dus wij weer naar de tramhalte. Het is een vrij lange rit. We staan tussen twee wagons in en tegenover ons staat een klein jongetje van een jaar of vier met zijn iets oudere zusje. De kinderen kijken ons geïntrigeerd aan. Ik lach naar het jongetje. Het is een iets donkerdere versie van Danilo. Zo schattig! Het jongetje lacht terug en ook het meisje. Als ook Carmen naar de kinderen lacht begint het jongetje tegen haar te praten. Of het Engels is, wat wij praten? “Nee” zegt Carmen, “hollandais”. Daar hebben ze blijkbaar nog nooit van gehoord. Of we dan geen Spaans kunnen. “Jawel” zegt Carmen “Ik kan wel een beetje Spaans, maar mijn moeder niet.” De bruine ogen worden groot van verbazing. “Zeg tegen hem, dat ik pas twee dagen hier ben.” fluister ik Carmen beschaamd toe. Dat doet ze. Wat voor taal wij dan spreken, wil de kleine bijdehand weten. “Nou ja, hollandais”. Hij snapt het niet. Hoeveel talen Carmen spreekt vraagt hij. “Vier” zegt Carmen. “Nederlands, Duits, Engels en Spaans”. En de moeder? Ook vier “Nederland, Duits, Engels en Frans, maar geen Spaans.” Hij vindt het maar allemaal vreselijk interessant. Hij kruipt achter de stang, waar Carmen tegenaan leunt. Dan wordt hij en zijn zus door zijn vader geroepen en snel lopen ze naar hem toe. “Oei” zegt Carmen, “ik heb niet op de haltes gelet”. Gelukkig zijn we er nog niet voorbij en moeten we de volgende eruit.
Carmen herkent het hier. We gaan weer lopen, vragen onderweg nog een keer aan een man, die er loopt. Hij legt het uit en we gaan weer verder. Volgens Carmen moeten we de eerste weg rechts, ik had begrepen, dat we bij een soort splitsing af moeten. Ik blijk gelijk te hebben. Ha! “Told you!” roep ik triomfantelijk. Blij dat ik een beetje Spaans kon verstaan. Bij het ministerie legt Carmen uit dat ze alle papieren heeft, alleen online iets niet kon invullen, omdat de site niet werkte. Men weet van het probleem. Ze moet even in het internet café nog een keer proberen. Het internet café ligt ernaast. Het is een winkeltje met artesanias (souvernirtjes) en drie computer. Maar de site werkt nog steeds niet. Dus weer terug naar het ministerie. De meneer aan het loket geeft haar een adres van een vestiging waar ze naar toe moet om het probleem uit te leggen. Neeee!!!! Dat is het adres waar we al geweest zijn. We zijn er eigenlijk helemaal klaar mee. Vooral Carmen, die zich helemaal niet goed voelt en het liefst naar huis wil en in bed kruipen. “Maar Carmen, laten we dat nog doen, anders moet je weer een andere keer terug.”
We besluiten om even in het grote park aan de overkant uit te rusten, we zouden daar sowieso vandaag nog gaan wandelen, alleen heeft het gedoe met de papieren alle tijd opgeslokt. Bij een kraampje kopen we iets te eten: Een bakje met bonen, gebakken maiskorrels, uit, tomaat en gebakken banaan. Apart, maar wel te eten. En gezond. Daarna gaan we ieders op een bankje liggen om uit te rusten. Het is niet meer zonnig, maar wel heel aangenaam weer. 
Als we weer een beetje bijgekomen zijn, doen we een fotoshoot en zoeken daarna weer de tramhalte op. Probleem is wel, dat we niet weten, welke richting we opmoeten. We zien door de bomen de bergen niet. We lopen dezelfde weg terug en spotten gegeven ogenblik de bergen weer en vinden onze weg naar de tramhalte.
Als we uitstappen twijfelen we even, welke kant we op moeten, maar we volgen Carmen’s intuïtie en die schijnt te kloppen. We komen langs een koffiezaak en besluiten om op de terugweg daar een kop koffie te gaan drinken. Aan het loket willen ze Carmen weer afwimpelen, maar ze blijft beslist. De site werkt niet en straks zeggen ze dat ze het visum eerder aan had moeten vragen, terwijl het toch niet haar schuld is. De man zegt, dat ze thuis moet blijven proberen en als hij het niet blijft doen de 26e of 27e terug moet komen. Pffff… wat een toestand. En wij denken, dat Nederland bureaucratisch is!
We gaan een kopje koffie drinken en nemen er een muffin en een brownie bij en gaan dan weer naar huis. We zijn er helemaal klaar mee!
Maar we moeten ook nog de was ophalen bij de wasserij. Het zaakje ligt wat verder de helling op. Oef, de beentjes zijn nou wel moe geworden. De was moet nog opgevouwen worden. We helpen. Met z’n drieën vouwen we de was op en Carmen kletst met het vrouwtje. Of ik haar mamita ben, wil ze weten. Carmen beaamt het. We lijken op elkaar zegt het vrouwtje, alleen moeder is wat witter. Ja knikken we. “Ik heb even geen zin om het uit te leggen. Ben te moe” zegt Carmen zachtjes. Snap ik. Dus we laten het zo. Met twee grote plastic zakken met schone was slenteren we weer richting huis. Als we langs de kapper komen zwaaien de Venezolaanse en ik weer naar elkaar.
Thuis gaan we lekker chillen en uitrusten en dan gezellig vanavond naar de ladiesnight. Leuk, ik heb er zin in. We overleggen, wat we aan zullen doen.
Helaas is Marion, de vriendin van Carmen, met wie we samen zouden gaan, ziek. Balen! Met z’n tweeën is niet zo leuk. “Misschien moet het wel zo zijn, meis” zeg ik tegen Carmen. “Voor jou is het wel beter om thuis te blijven. Misschien voel je je dan de rest van de week wat fitter. En dan gaan we volgende week wel naar de ladiesnight.”
We warmen het restje eten van gisteren op en chillen. Carmen kijkt series, ik werk aan m’n blog. Fijn zo. Carmen heeft contact met Alejandro. Hij wil morgen ochtend wel met ons een city-tour doen en onze gids zijn. Vet!
Een kort nachtje, maar ik voel me prima. We staan om negen uur op. Carmen vindt me vrij hyper en dat ben ik ook. We gaan eerst boodschappen doen. Er moeten wel eerst tig deuren en hekken geopend en weer gesloten worden, om in het piepkleine en smalle winkeltje in het huis ernaast boodschappen te doen. Veiligheid voor alles! “Ja, weet je mams, het is niet mijn huis. Als er ingebroken wordt word ik wel aansprakelijk gesteld!” Goed bezig, meis! Zoals gezegd gaan we in het huis ernaast wat dingetjes kopen. Carmen spreekt zo goed Spaans! Ze rebbelt een end weg tegen de verkoopster. Ik vind me maar een buitenbeentje. Na het eenvoudige ontbijt – spreek havermoutpapje – gaan we naar de wasserij een paar straten verderop. We lopen onze straat uit, maar ik word na twee stappen al door Carmen teruggevloten. “Langzaam mama. Zo ga je het niet volhouden.” Ze heeft gelijk. Ik moet nog aan de hoogte wennen en voel m’n benen heel snel.
Het is best een heel gedoe voordat je eindelijk de lucht ingaat. Je bent uren bezig. Tussen opstaan om zes uur – het wordt eigenlijk kwart over zes – tot dat het vliegtuig de lucht ingaat, om 12.00 uur heb je er al haast een werkdag opzitten.
Vanochtend wat vroeger op en acht uur aan het ontbijt. Uitchecken – onze koffers mogen in de bagageruimte van het hotel – en weer op pad. We hebben om 10.00 een afspraak bij Club Global en om 13.00 bij Nova Alta. Bij beiden hebben we een stagiaire lopen. Bij het eerste stagebedrijf is de praktijkopleider een jonge Argentijn. Hij heeft een felblauwe bril op zonder glazen. Op zijn kantoor heeft hij een hele verzameling van bonte glasloze brilmonturen. Elke dag zet hij een ander montuur op. Om steeds gefocust te blijven zegt hij. Mario is super tevreden over onze stagiaire. Hij is één en al lof. En ook zij heeft het ontzettend naar haar zin gehad en heel veel geleerd. Ze is heel positief over haar buitenlandse stage en daar zijn wij natuurlijk heel blij om. Ze weet nu ook eindelijk wat ze hierna wil gaan doen. Zeer geslaagde stage dus. De intermediair is er ook bij. Vera werkt voor een bureau dat Nederlandse stagiaires hier in Berlijn en elders in het buitenland begeleidt.
Na dit bezoek hebben we even wat tijd. We lopen door de winkelstraat terug naar het tramstation en gaan wat winkeltjes in. Ik moet nog een kado voor mijn moeder hebben, die gisteren jarig was en ik wil nog een sleutelhanger-beertje voor Carmen kopen. We nemen de tram en moeten dan nog een stukje lopen. Inmiddels is het lunchtijd en we zijn bijna bij onze bestemming, dus we besluiten om eens naar een restaurantje uit te kijken. Plotseling wordt Martin geroepen: “Meneer!!”. Een blonde jonge man in T-shirt (brrr, wat een gek, ik heb een dikke winterjas aan!) stormt op ons af. Het is onze stagiair. Hij was aan het werk in de shop van het bedrijf, waar hij stage loopt en zag ons toevallig langslopen. En ook Vera komt er net aan. Verderop is een Italiaans restaurant, zegt de jongen. En we lopen er met z’n drieën naar toe, voor even afscheid nemend van onze stagiair. We eten pizza voor vijf euro. En moeten dan opschieten. We zijn nu aan de late kant.
We hoeven niet zo vroeg op. Op acht uur staat de wekker ingesteld, maar ik word geregeld wakker gedurende de nacht. Omdat ik gewend ben om met het raam op kiep te slapen, doe ik dat hier ook. Het is ook best warm in de kamer. Maarja, je zit wel zo’n beetje hartje Berlijn en mijn achterhoekse oortjes zijn het drukke verkeer niet gewend. Ik overweeg, wat beter is, de warmte of het lawaai, maar laat het maar zo en val uiteindelijk – met het rustiger worden van het verkeer – in slaap. Natuurlijk word ik ver voor acht uur wakker, doordat het ochtendverkeer weer op gang komt. Ergens heeft het ook wel wat. We hadden afgesproken om om negen uur te ontbijten. Ik heb tijd zat en doe rustig aan. Ik kan nog wat wordfeudjes leggen en ga vijf voor negen de gang op, waar ik Martin tegenkom.
We zijn ruim op tijd op het station in Emmerich. Wachtend op Gleis eins verschijnt er op het bord de aankondiging dat de trein uit Düsseldorf een half uur later binnen zal komen. Op Gleis eins. Onze trein staat nergens aangekondigd, dus we gaan er maar vanuit dat die laatkomer onze trein is die weer teruggaat, al moeten wij niet naar Düsseldorf maar naar Duisburg. De trein arriveert, nog steeds geen aankondiging, dus mijn collega, Martin, met wie ik deze reis onderneem, vraagt andere reizigers. Het is inderdaad onze trein. Martin en ik gaan voor drie dagen naar Berlijn om op stagebezoek te gaan en nieuwe afspraken met een bevriende school omtrent een verdere samenwerking te maken. Daarnaast een afspraak bij GLS (German language school) om over en excellentieprogramma voor een aantal leerlingen te spreken.

Ik heb ook een idee over het ontstaan van de mensheid, uitgaande van die hogere macht, die scheppende kracht heeft. De evolutie zegt, dat er een oerknal heeft plaats gevonden, maar kan niet verklaren, voor zover ik weet, hoe die oerknal precies is ontstaan, want je zit altijd met het probleem dat er uit het niets iets moet ontstaan. Maar dat kan niet. Dus dat die macht, waar ik in geloof, er altijd al is geweest, is aannemelijker dan dat het universum ontstaan is uit het niets. Het moet zo zijn dat wij met ons begrensde menselijke brein het ontstaan van het universum niet kunnen begrijpen. We leven in een bepaalde dimensie en kunnen alleen binnen die dimensie denken, terwijl er buiten ons meerdere dimensies zijn. Net zoals een vlieg in zijn dimensie leeft en totaal geen weet heeft van de dimensie waarin de mens leeft. Een vliegenbrein laat dat gewoon niet toe. Wij zijn dus begrensd in ons begrip, gevangen in onze eigen dimensie. Wij kunnen niet begrijpen, dat de almacht er altijd al is geweest. Wij begrijpen “eeuwigheid” niet. Maar dat wil nog niet zeggen, dat die niet bestaat. We weten uit onderzoek in het universum, dat eeuwigheid en oneindigheid bestaat, al kennen wij die niet in onze wereld
Ja, want nu zijn het niet maanden, weken of zelfs dagen… het zijn nog maar uurtjes. Twaalf om ongeveer precies te zijn. Helemaal precies is het natuurlijk nooit te zeggen. Zij landt – als de vlucht op schema is – om 16.45. Dan nog half uurtje à driekwartier en dan hoop ik haar, mijn wereldreizende dochter, na vierenhalve maand weer in mijn armen te mogen sluiten. Er is nog wel één dingetje: ik moet tot half drie werken, dus het wordt krapjes aan. Eventueel moet zij dan ffies wachten – niets aan te doen!
Wat nu weer? Hij moet aan de kant wachten. Wij worden uitgenodigd om in het vliegtuig plaats te nemen. Nou echt niet! Ik blijf hier wachten. Stel dat hij niet meemag! Ik laat echt niet twéé kinderen hier achter, eentje wil ik toch minimaal meenemen! Onzinnige zorgen natuurlijk, maar ik ga toch niet zonder hem het vliegtuig in. Achter een scherm wordt zijn handbagage wederom helemaal gecheckt en moet hij zijn jasje en schoenen uitdoen. Als ik stiekem kijk is hij zijn veters weer aan het strikken. We komen als laatste aan boord en zitten nauwelijks of het standaard riedeltje gaat van start: gordels vastmaken, aankondigingen etc. De vlucht verloopt goed, we kijken filmpjes en zijn er eerder dan verwacht.
Ik slaap nauwelijks op deze reis, dus kijk maar weer tv, ook Cor slaapt niet veel en Danilo is ook naar een kleine anderhalve uur weer wakker. Anderhalf uur voor de landing krijgen we ontbijt en daarna gaat het vlot. Tijdens de daling krijgt Danilo vreselijke pijn aan zijn oren en word ik misselijk en ga met rot voelen. Ik ben blij als we eindelijk het toestel uitzijn en weg van die vieze kerosine-lucht, die me nog misselijker maakt. In Schiphol komt onze bagage als eerste eruit en zijn we zo buiten. Wat is het heerlijk, dat alles bekend is. Hoeveel zekerder voel je je in je eigen land. Dat alles duidelijk te begrijpen is, je iedereen verstaat en weet, hoe dingen werken! We bellen de shuttle van het automotel en moeten een tijdje wachten, voordat we opgepikt worden. Dan in onze eigen auto terug naar huis! Navi doet vreemd, maar uiteindelijk gaan we toch richting Utrecht, zoals het hoort. Ik zit achterin en probeer te slapen, maar dat lukt niet. Ik ben misselijk en voel me ziek van vermoeidheid en van de landing.Willen de jongens ook nog langs de MacDonalds om te ontbijten! Nou, ik hoef niet! Na bij de Mac in Duiven gepauzeert te hebben, zetten we onze rit richting thuis voort.

