Vandaag heeft Carmen weer een afspraak in verband met haar visum. Alejandro is vandaag de hele dag vrij en wil met mij wel de Teleferico doen. Dat is een kabelbaan, die je 2,5 km de berg Pichincha opbrengt tot zo’n 4100 m boven de zeespiegel. Maar eerst ga ik om negen uur naar de wasserij om onze was op te halen. Ik ben er om 10 over negen, maar de deur zit nog dicht, terwijl de openingstijden toch duidelijk vermelden, dat het zaakje om negen uur open zou gaan. Ik besluit om tot uiterlijk half tien te wachten, want om 10 uur zou Alejandro bij mij zijn. Er komt nog een andere man bij staan. Ik kijk regelmatig op mijn mobiel. Als het twee voor half is, denk ik: nog twee minuten, dan ga ik. En ja hoor, daar komt het vrouwtje aan. Ze doet de deur open en laat ons binnen. Ik geef de vuile was af en neem de schone weer mee. Ze herkent mij: “Carmen?” “Si” antwoord ik. Ze vraagt – denk ik – hoe het met Carmen gaat. Ik probeer haar uit te leggen, dat Carmen thuis is omdat ze ziek is. Geen idee of ze me snapt. Met twee grote zakken schone was verlaat ik het winkeltje en loop weer richting huis.
Ik had met Alejandro om 10 uur afgesproken, maar hij is laat. Ik wacht, het is hier in Zuid-Amerika niet vreemd, dat mensen niet precies op tijd zijn, maar dat had ik jullie al verteld. Vind ik ook geen probleem. Ik heb de balkondeuren opengezet, want Alejo gooit meestal met steentjes en roept als hij er is, zegt
Carmen. Om ongeveer 11 uur hoor ik mijn naam roepen. Ja hoor, daar staat hij op straat. Ik loop naar beneden en maak het hek voor hem open. Hij ziet bleek “Wat is er? Ben je ziek?”. “Nee”, antwoordt hij. Hij is niet ziek, hij heeft een aanrijding gehad en is bijna beroofd. Acharme! Kom snel binnen. Hij vertelt het verhaal: Hij had een auto geleend om met mij naar de teleferico te rijden, maar iemand is hem achterop gereden. Toen besloot hij de trolley te nemen. Hij heeft een broek aan met broekzakken onder aan zijn pijpen. Als hij merkt, dat iemand zijn mobiel uit zijn zak probeert te stelen, slaat hij instinctief. Het mobiel klettert bij de dief uit de hand op de grond. “Is hij kapot?” vraag ik. Hij weet het niet, heeft nog niet gekeken. Gelukkig blijkt het mobiel nog te werken en ook verder geen beschadigingen te hebben. Wel balen van de auto. Gelukkig niet zijn schuld en hij is ongedeerd.
Nu moeten we met de bus naar de teleferico. Alejo twijfelt of we wel moeten gaan. Het is erg bewolkt. Je zult niet veel kunnen zien. “Let maar op. Als we boven zijn klaart het wel op!”, zeg ik optimistisch. 
Het is er niet druk. We hebben een gondel voor ons alleen. De kabelbaan brengt ons naar boven. Het is hier koud en waait heel hard. Ook is het nog bewolkt. We gaan eerst in het gebouw een kop koffie drinken. Er staat een automaat met vloeistof in verschillende kleuren, die je kopen kunt, als je last hebt van de hoogte. Want hier is de lucht ijl en heeft minder zuurstof. De gevolgen van de hoogte kunnen zijn: licht gevoel in je hoofd, hoofdpijn, duizeligheid, vermoeidheid en overgeven. We besluiten een stukje te gaan lopen. Als doel stellen we de elektriciteitsmast, die een stuk verder boven staat. Het is een steile wandeling en wordt steeds steiler naarmate we hoger komen. Telkens als we weer een helling hebben gehad, denk ik dat we er zijn, maar boven aangekomen rijst er weer een nieuwe berg op. Frustrerend! Mijn benen worden steeds zwaarder en de wandeling wordt steeds moeilijker. We komen langs een aantal paarden, die je kunt huren, maar ik wil niet. Ik wil zelf lopen. Maar oei wat is het zwaar. Een voordeel is wel, dat het niet meer waait en de hemel begint op te klaren. En hoe hoger we komen, hoe prachtiger het uitzicht wordt. Ook de vegetatie is verbazingwekkend. Gek als ik ben op planten en bloemen neem ik een foto van elke bloem die we tegenkomen. Deze bloemen heb ik nog nooit ergens eerder gezien! Ze bloeien alleen op deze hoogte. Zooo mooi!! We zien gegeven ogenblik ook een hele aparte vogel. Alejandro zegt, dat het zeer uitzonderlijk is, dat we die vogel zien. Als we bij de elektriciteitsmast zijn ben ik al tamelijk uitgeput. Maar je kunt nog verder. Tot helemaal bovenaan, maar dan moet je echt getraind zijn. Moeilijkheidsgraad 3, zegt Alejandro. Ik geloof het direct. Ik vind dit al vrij zwaar. En Alejandro stiefelt net zo makkelijk tegen de hellingen op. Het is vrij ru

stig. Alleen heel af en toe kom je mensen tegen. Alejandro vertelt over een vulkaanuitbarsting, toen hij een kind van vijf jaar was. In 1999. Hij weet het nog goed. Niemand mocht toen het huis verlaten, vanwege de as. Ik vind het super interessant. Daar hebben wij in Nederland nou nooit last van. Tegelijkertijd vind ik het toch wel een dingetje, dat mijn kind hier tussen al die actieve vulkanen woont, de komende maanden. Maar men schijnt hier tegenwoordig goed voorspellingen over te kunnen doen. Ik zet het idee van me af en concentreer me weer op onze wandeling.
Een eind verder op zijn nog twee heuvels. Alejandro noemt ze de “boobies”. Ik kijk hem aan: “Wel kleine boobies” zeg ik tegen hem. “Ik vind het eerder een kont”. Daar vindt hij ze nou weer te klein voor. Nou vooruit, we houden het wel bij de “boobies” en spreken af, dat we tot de tweede boobie proberen te klimmen. De hemel is intussen helemaal opengetrokken. De zon schijnt en we smeren ons in om ons tegen de sterke zonnestralen te beschermen. Ik heb af en toe contact met Carmen via whatsapp. Het gaat niet goed met haar visum. Ze heeft urenlang moeten wachten om te horen, dat ze ergens anders moet zijn. Het is echt om te wanhopen. Ze wordt van hot naar her gestuurd en is aan het einde van de dag nog geen stap verder gekomen. Ook zij is doodop van het lange wachten.
Wij gaan verder. Ondanks de zware klim hebben we fijne en interessante gesprekken over liefde, relaties, opvoeding, cultuurverschillen, enzovoort enzovoort. Ik loop te hijgen en te puffen, mijn benen worden steeds zwaarder, ik krijg echt last van zuurstofgebrek en we gaan regelmatig in het gras zitten of liggen om even uit te rusten. Alejandro heeft wat zoete crackertjes meegenomen. Ik merk, dat me de wandeling – als je het nog zo kunt noemen – veel energie kost. Maar – vreemd genoeg – herstel ik ook heel snel. Alejo zegt dat dat ook typisch is voor de hoogte. Als we bij de eerste boobie zijn ben ik de wanhoop nabij. Ik kán haast niet meer. Het laatste stuk gaat op pure wilskracht. Ik snap niet hoe Alejandro het zo makkelijk doet. Een groep Canadezen loopt ons voorbij. Dat is mijn eer te na “Fuck the Canadians” zeg ik tegen Alejandro. Hij moet lachen. “Ze hebben in Canada natuurlijk ook hoge bergen”, probeer ik mijn eigen vermoeidheid goed te praten. Ik ben anders altijd degene met zoveel energie en mijn leeftijd kan het natúúrlijk niet zijn. Zo jong zijn de Canadezen trouwens ook niet. “Ze zijn de hoogte natuurlijk gewend en waarschijnlijk geoefende bergbeklimmers.”, troost ik mezelf. Alejandro knikt, maar schijnt niet echt overtuigd. Als we op de tweede boobie aangekomen zijn ben ik aan het einde van mijn krachten. Mijn benen lijken wel van rubber en ik kan er nauwelijks nog kracht mee zetten. Boven aangekomen laat ik me plat voorover in het hoge gras vallen. Alejandro kijkt me verbaasd aan. “Ik kán niet meer” mompel ik in het gras. “Ik kan geen stap meer verzetten.” Alejo moet lachen. Ik til mijn hoofd op. Het is niet te geloven. De weg gaat nóg verder. Weer zo’n steile helling op. Ik laat mijn hoofd weer vallen. “Ja,” zegt Alejandro. “Dat heb ik je toch gezegd! Je kunt nog veel verder helemaal naar boven. Donderdag ga ik weer en dan ga ik tot helemaal daar, naar de grot.” Hij wijst de berg omhoog. Ik word er chagrijnig van. Dat zou ik ook graag willen! Maar behalve dat ik dat echt niet ga redden, is het inmiddels al drie uur. We hebben twee uur gelopen. En we moeten ook weer helemaal terug. Maar dat zal een makkie zijn, denk ik bij mezelf, al weet ik best, dat terug ook best zwaar in de benen zal worden. Maar altijd nog makkelijker dan omhoog denk ik. Ik maak boven nog wat foto’s, de Cotopaxi, de bekendste vulkaan is in de verte nu te zien. Op zijn top ligt sneeuw. We willen daar morgen naar toe. “Dat wordt een makkie vergeleken met dit” legt Alejo uit. Poeh! Gelukkig. Moet er niet aan denken om morgen nog zo’n klim te maken. We lopen terug, de berg weer af. Ik heb niet veel profiel onder mijn schoenen en Alejandro ook niet. Het zandpad is bezaaid met kleine steentjes en we glijden regelmatig uit. Meestal lukt het me om mezelf op te vangen en soms haakt Alejo mij onder, maar één keer val ik op m’n kont. Ik vang me met m’n handen op, die ik instinctief naar achteren uitstrek, maar nu heb ik pijn in mijn polsen. Aljeandro laat me zien hoe je het beste af kunt dalen, namelijk door als een paard in galop te gaan, wel langzaam en voorzichtig natuurlijk. We komen langs de Canadezen. Ze staan stil. We gaan langs, maar blijven dan staan, fakend om van het uitzicht te genieten, om ze weer langs te laten. “Ik wil niet vóór ze lopen” fluister ik Alejandro toe. “Ik heb echt geen zin om voor hun ogen op m’n bek te gaan.”
Haha. Alejandro lacht “Precies wat ik ook dacht” antwoordt hij. Als ze langs zijn lopen we ook weer verder. De afdaling is inderdaad wel makkelijker dan omhoog, maar mijn benen voelen nog steeds als rubber, waardoor ik niet echt goed controle over mijn benen heb. Maar we komen uiteindelijk toch heelhuids beneden aan en nemen de kabelbaan weer terug. We hebben weer een gondel voor ons alleen. Als de kabelbaan een beetje vreemd gaat doen, zet Alejandro grote, verschrikte ogen op. “Je hebt toch geen hoogtevrees?” zeg ik? “Je bent toch alleen pessimistisch?”. Hij knikt “Ja, ik heb ook geen hoogtevrees, ik wil alleen niet dood en dat is gewoon een hele logische gedachte.”. “Ach,” zeg ik “je kunt maar beter genieten van de rit voor je dood gaat…”. Maar alles gaat goed. Als we nog maar een meter of twee van de grond verwijderd zijn, deelt Alejandro mee, dat hij het nu niet meer zo erg zou vinden om af te storten. Ik moet lachen.
We stappen uit en moeten even moeite doen om de juiste bus te vinden. Dat heet, Alejandro moet moeite doen. Ik volg in alles als een gehoorzaam hondje. In de bus verzekeren we elkaar hoe trots we op elkaar en onszelf zijn, dat we dit gered hebben. Van de bushalte is het nog wat straten steil omhoog. Ik ben doodop, maar merk toch duidelijk, dat het hier veel makkelijker gaat, doordat ik minder zuurstofgebrek heb.
Als we thuis aankomen, ziet Carmen gelijk, dat ik helemaal kapot ben. Ik plof neer op een stoel. We moeten zien, dat we wat te eten krijgen. In de bus hadden we het er al over gehad, of we zelf zouden gaan koken of wéér iets halen, maar ik ben te moe om eerst boodschappen te doen en dan nog te gaan koken. Alejandro biedt aan om te gaan koken, maar ik beslis dat we wel ergens iets gaan eten of halen. De KFC is het dichtst bij, dus we gaan daar naar toe om wat te eten te halen en thuis op te eten. Als we met het eten weer thuis komen is Jessy inmiddels ook bij het appartement gearriveerd. Carmen deelt haar salade met haar en we maken plannen voor deze avond en morgen. Vanavond willen we namelijk nog naar de Panecillo, een berg midden in Quito waar een heel groot Maria-beeld staat. Morgen naar de Cotopaxi. Die is zo’n anderhalf uur rijden. We proberen een auto te huren voor twee dagen. Die kost 140 dollar. Pfff. Dat is best een hoop geld. Ik zal het alleen op moeten hoesten. Kan de kinderen niet laten betalen. Maar is het me dat waard? Ik moet er nu niet aan denken om morgen nog een berg te beklimmen en daarna nog ’s avonds aan een reis van bijna 30 uur te beginnen. Ik ben zooo moe!!! Wat is me de Cotopaxi waard? Het meest zorgen baart me de tijd. Vandaag zou een halve dag duren, maar we waren de hele dag kwijt. Een heerlijke, fijne dag, ik had niet anders gewild en Carmen was sowieso niet thuis geweest. Maar morgen…. dat is een ander verhaal, dan moet ik wel op tijd mijn vliegtuig halen. Wat als we pech onderweg krijgen? Of om één of andere reden oponthoud hebben? Kan ik dan nog wel van het uitstapje genieten? Ik spreek mijn twijfels uit. “Jij moet het zeggen, mam”, antwoordt Carmen. Ik beslis om de Cotopaxi niet door te laten gaan. “Ik vind het alleen jammer, dat ik nu niet op een vulkaan heb gelopen” zegt ik verdrietig. “Are you kidding!?” roept Alejo verontwaardigd uit. Hij lijkt echt wel een beetje boos. Oeps. “Waarop denk je dat wij de hele dag hebben rondgelopen?” vraagt hij, zijn handen in zijn zij zettend. “Uuuuh… een ….. vulkaan?” gok ik. “Ik heb je toch verteld van die uitbarsting in 1999!?”. Euh.. ja… was dat deze vulkaan dan? Ja, dat was deze vulkaan. De Pichincha is een actieve vulkaan. Ooooh, dan!!! Ik ben in mijn sas. Ik ben een hele dag op een vulkaan rondgelopen! Alejandro zoekt op mijn mini-laptop op google earth de Pichincha op. “Kijk, hier hebben we gelopen. Dit is de electriciteitsmast, dit zijn de boobies en hier een stuk verder op… zie je dat…. dat is de krater.”. Ik ben overtuigd. Haha, de Cotopaxi kan me gestolen blijven. Ik heb op een vulkaan gelopen! We beslissen om morgen in Quito te blijven, om in een park te gaan picknicken, Shaorma te eten, shisha te roken en een artesania-markt te bezoeken. Ik voel me opgelucht. Dat lijkt me een veel beter plan!
En vanavond nog naar de Panecillo met de taxi voor een paar dollar. Helemaal goed!
We maken ons klaar om te gaan en laten ons in een taxi de berg genaamd Panecillo – “klein broodje” oprijden. De 45 meter hoge madonna stelt de vrouw uit openbaring/apocalyps voor, vertelt Alejandro. De draak ligt aan een ketting aan haar voeten. Ik ben wederom blij met Alejo’s kunde. Hij denkt, dat hij een goede gids zou zijn. Ik weet het wel zeker! En zeker met zijn goede Engels en zelfs een beetje Duits. Het standbeeld is niet oud, uit 1976 en van aluminium gemaakt. Het is indrukwekkend, zo badend in het kunstmatig licht. Ook indrukwekkend: Quito by night. Carmen en ik staren er gearmd naar. Mijn afscheid van nachtelijk Quito. Ik wil niet verdrietig zijn, maar elke minuut genieten, die mij hier nog rest.
Morgen nog een hele dag.. . We bestellen bij één van de kraampjes Canelazi. Alejandro vindt dat het net een Europeese kerstmarkt is. Grappig, ik had precies dezelfde gedachte. Alejo kent Europa, doordat hij een hele poos in Zwitserland is geweest. Daar heeft hij ook wat Duits leren spreken. De Canelazi zou dan de Glühwein zijn. En de zoete empanada en een soortgelijk ander zoet baksel, dat Jessy bestelt en ik ook mag proeven – hmmmm – heerlijk!!! – zouden wel “Krapfen” – oliebollen kunnen zijn. We gaan aan houten picknicktafels zitten en genieten van de drank en de snack. En aantal honden komen naast ons staan, met grote hongerige ogen wachtend op een stukje lekkers. Geen idee, waar die ineens vandaan komen. Je hoeft in ieder geval niet bang zijn voor honden hier. Ze zijn heel lief en laten je altijd met rust. Misschien zijn ze wel juist liever, omdat ze altijd los mogen lopen. Ik weet het niet. Ik ben er in ieder geval niet bang voor, al hou ik de tip van GGD in gedachten, om ze voor de zekerheid niet aan te halen.
We besluiten om weer naar huis te gaan. Maar waar zijn de taxi’s als je ze nodig hebt? We zoeken een poos, dan gaat Jessy bij een kraampje vragen, of ze een taxi willen bestellen. Voor 4 euro rijden we weer naar huis en nemen afscheid van elkaar.
Wat een heerlijke dag weer! Ik ben helemaal kapot en kan niet wachten om in bed te kruipen, maar ik kijk terug op een onvergetelijke dag, mede weer dankzij Alejandro, Jessy en Carmie!!
Na drie uur slaap gaat om acht uur de wekker. Ik kom heeel moeilijk uit de slaapmodus, maar we zouden om negen uur ontbijten, om om tien uur weer een toer met de chiva te doen. Ditmaal naar de watervallen. Om half negen sta ik met veel moeite op, spring nog een keer onder de douche en kleed me aan. Maar de meiden zijn nog niet zo ver. Om half tien lopen we dan het stadje in op zoek naar desayuno – ontbijt. In een eettentje nemen we een zogenaamd Amerikaans ontbijt, een broodje waar een soort kaas in zit, een schaaltje met roerei, een vruchtensap en heet water of hete melk. Ik neem heet water, maar ben mijn thee vergeten, nu moet ik er koffiepoeder indoen. Bah, veel te sterk.![PhotoGrid_1501702615932[1]](https://manonswiersblog.com/wp-content/uploads/2017/08/photogrid_15017026159321.jpg?w=409&h=409)
Vandaag gaan we naar Baños. Met z’n drietjes: Carmen, Jessy en ik. Heb er heel erg veel zin in. Baños – eigenlijk Baños de Agua Santa, vertaald “baden van het heilige water” is een klein touristisch stadje, dat bekend staat als de toegang tot het Amazone-gebied. Het ligt aan de voet van de zeer actieve vulkaan Tungurahua en vulkaanuitbarstingen en aardbevingen komen regelmatig voor. De mensen geloven heilig in de bescherming van hun beschermheilige en verlaten dan ook niet hun stadje, als een vulkaanuitbarsting dreigt. Het stadje wordt dan ook steeds weer op wonderlijke wijze gespaard. Ook hier is een Mariaverschijning geweest, deze wordt nu aanbeden als “Nuestra Señora del Rosario de Agua Santa” (Onze Vrouwe van de Rozenkrans van het Heilige Water).
Als de bus gaat rijden begint er keiharde muziek uit te komen. Heerlijk!!! Het gaat door de verlichte stad en dan de berg op. In het pikkedonker. Als ik achterom kijk, zie ik alleen maar zwart. Geen straatverlichting. Meerdere chiva’s rijden achter elkaar aan, maar wij zijn het slotlicht. Ik zie in ieder geval geen andere achter ons aankomen. De chiva crosst door de bergen, zijn weg vervolgend naar de top, hobbelend en bobbelend over de slechte straten en met gierende motor als het oude voertuig moeite heeft om de berg op te komen. Ondertussen keiharde Reggaeton. Super gaaf dit!
Carmen is nog steeds ziek. Ze moet nu toch echt naar een dokter. Ik heb nog een aantal dingen op mijn to-do-lijstje staan, waaronder “La mitad del mundo”, letterlijk vertaald “de helft van de wereld”, de evenaar oftewel de equator. Daar zou ik zooooo graag heen willen, lijkt me zo vet, om te kunnen zeggen: ik heb op de equator gestaan! Maar het is te vermoeiend voor Carmen. Gelukkig heeft Alejandro tijd om mij te begeleiden. Super fijn, want hij is een wandelende encyclopedie en super gezellig, want het is een ontzettend leuke jongen. Carmen legt me uit, hoe ik bij de busterminal moet komen, het is niet moeilijk, ik kan er met de trolley naar toe en Alejo pikt me daar dan op om samen verder met de bus te gaan naar “La mitad del mundo”. Het is maar 20 km, de busrit kost geen hout, maar je bent wel even onderweg. We kletsen gezellig onderweg en de tijd vliegt voorbij. We stappen uit en lopen naar een soort park met allemaal huisjes, een soort openluchtmuseum. Het is warm en zonnig weer, om ons heen overal de bergen, een prachtige omgeving. Het park is groot, onmogelijk om alles te doen, maar we lopen een paar hutjes in, reconstructies van hoe de indianen leefden en gedeeltelijk nog leven. In één van de hutjes zit een sjamaan bij een vuurtje. Naast hem is een klederdracht te bewonderen, een pak met twee maskers, aan de voorkant één en aan de achterkant één. Deze pakken werden door de indianen gedragen, ik denk bij rituele dansen ofzo. In een hoek op de grond een kleine omheining van stenen, waarin een aantal cavia’s rondloopt. Alejandro loopt het water al in de mond. Hij vindt ze heerlijk, zegt hij. “Jij bent gek, zeg ik. Die kun je niet eten.”. “Waarom niet?” vraagt hij. “Omdat het geen voedsel is” dien ik hem van repliek. Hij trekt zijn schouders op. “Tuurlijk wel! Ze zijn lekker”. Dan vertelt hij dat er met behulp van deze beestjes ook diagnoses gesteld worden. Men strijkt me een levende cavia over het lichaam van een ziek iemand. De cavia neemt de ziekte over en sterft tijdens de procedure. Dan wordt het diertje opengesneden en men kan zien wat de patiënt heeft, of het nou een tumor of wat dan ook voor ziekte is. Ik vind het maar wreed. De sjamaan spreekt ons aan. We kunnen hem vragen stellen als we willen. Ik wil weten, of sjamanen nog steeds bestaan en nog steeds praktiseren. Hij beaamt het. Ze zijn allemaal gekerstend, maar hebben wel zo hun eigen tradities behouden en hebben beide religies met elkaar verweven. Dan wil ik weten wat de kern, de basis van het sjamanisme is. Hij vertelt dat de basis erin bestaat, dat wij mensen één zijn met de natuur. De natuur weerspiegelt daarom ook ons mensen: het schijnen van de zon is het gelukkig zijn van de mens, regenen weerspiegelt het verdrietig zijn, de donder is een parallel tot het boos zijn, enzovoort. De oude man is sympathiek en neemt alle tijd om mijn vragen te beantwoorden. Ik geef hem twee dollar fooi en hij houdt het geld boven het vuur. Dat is om de negatieve energie te laten verdwijnen, legt hij uit.
We volgen en avontuurlijk pad, met aan weerszijden mega-grote agaves en cactussen en komen in een prachtig klein park met mooie inheemse planten en struiken. De intree is 4 dollar, de helft van het “nep-park”. Lol! Ik vind het hier veel leuker! We krijgen, samen met een aantal Amerikanen, een rondleiding door een zeer kundige en sympathieke jonge vrouw, die ook nog eens uitstekend Engels spreekt. We krijgen een rondleiding langs verschillende plekken. Ze vertelt ons over de “shrinking heads”, een gebruik bij bepaalde stammen om de hoofden van hun vijanden te koken, nadat de botten eruit gehaald zijn en dan te vullen met stenen. Er blijft dan een heel klein hoofdje over. Ik leg dit nu heel globaal uit, maar eigenlijk is het een hele ingewikkelde procedure, die maar door weinigen beheerst wordt. “Wordt” ja, want het wordt nog steeds met dieren gedaan. Sinds 1950 is het op mensen verboden. We staan met onze mond open: 1950! Dat is nog maar zo kort geleden! Er is ook een echte “shrinking head” van een jonge van 13. Hij zou de opvolger zijn van het stamhoofd. Ook sjamanen kregen na hun dood zo’n behandeling. Men geloofde namelijk, dat zo hun wijsheid niet ontsnappen en door anderen afgepakt kon worden. In geval van de vijanden was het doel, dat de geest van de gedode persoon zich niet kon wreken.


We hebben besloten om een city tour met de bus te doen. Dat lijkt ons voor Carmen beter dan lopen of fietsen. Nog beter zou natuurlijk een dag in bed zijn. “Ik ben toch niet acht uur naar Cuenca gereisd om in bed te gaan liggen en niets van de stad te zien” protesteert ze. Snap ik.
We stoppen weer bij de kathedraal, gaan lunchen en brengen dan een bezoek aan de prachtige, grote kathedraal.
De plaatsen in de bus zijn iets minder chill, dan we dachten. Je ligt niet echt fijn, want je ligt in een knik en de stoelen zijn nogal glad, want van kunstleer, dus van een echt goede nachtrust kan geen sprake zijn. We slapen wel vrij veel, maar worden ook heel vaak wakker. Ik begin echt pijn in mijn rug te krijgen en mijn voeten voelen dood aan. Het is ook beginnen te regenen. Ongeveer een uur nadat het licht geworden is arriveren we in Cuenca. Fijn, om uit te kunnen stappen en de benen te strekken. We zijn veel te vroeg om in het hotel in te checken, het is pas 7 uur in de ochtend, dus we besluiten om hier op de terminal te ontbijten. Er is een grote overkapping met naast elkaar op een rij meerdere eettentjes. Ze verkopen allemaal zo’n beetje hetzelfde en proberen klanten naar zich toe te lokken door met de rechter hand met hele korte, snelle bewegingen op en neer te zwaaien en “tss tss” te doen, terwijl ze met hun linker hand over het menu op het bord gaan, alsof ze een mooie dame van top tot teen presenteren. We kiezen een willekeurige tent en gaan op het terrasje ervoor zitten. We gaan uiteraard voor “desayuno continental”, een Europees ontbtijt: koffie, broodje met een soort kaas, een bordje roerei en een “jugo”, een vruchtensap. Carmen kiest naranjasap, dat is sinasappelsap en ik de boomtomatensap. Carmen proeft van het drankje. “Er zit water in. Zou je die wel drinken, mam?”. Ik waag het er maar op. Het ontbijt smaakt goed. Ik drink voor het eerst in mijn leven koffie bij het ontbijt en vraag daarom ook veel melk. We krijgen een beker heet water. Huh? Krijgen we nu thee? Maar Carmen pakt één van de potjes op tafel, waar blijkbaar oploskoffie inzit en doet een schep van het poeder in de mok met heet water. We krijgen ieders ook een beker met warme melk erbij. Het ontbijt smaakt me uitstekend. Als ik om me heen kijk, zie ik anderen soep eten en warme gerechten, brrrrr.
Ik heb deze blog maar de titel “reisvoorbereidingen” gegeven, bij gebrek aan beter. Ja, wij gaan op reis en ja we bereiden ons voor, maar het grootste gedeelte is gewoon lui gelummel. De reisvoorbereidingen beperken zich tot het boeken van een hotel in het historisch centrum van Cuenca. Een mooi ogend hotel met het cijfer 8,2. Wat zou het, twee nachtjes luxe is wel lekker en mams betaalt. De prijs valt trouwens erg mee. 95 dollar voor 2 nachten voor 2 personen is niet duur toch? We gaan even kijken wat we daar willen gaan doen en we zoeken uit hoe we er eigenlijk moeten komen. Hoe, wanneer en van waar een bus vertrekt. We willen alvast kaartjes kopen. Carmen voelt zich helemaal niet goed, maar we moeten toch maar op pad, ze moet nog naar het ministerie van huppeldepup voor haar visum, dat nog steeds niet geregeld is, omdat de website het nog steeds niet doet. En dus vast die buskaartjes kopen voor vanavond. We gaan eerst voor de buskaartjes. Het is even zoeken waar het agentschap zit, maar eindelijk vinden we de juiste bestemming en kopen twee tickets voor 29 dollar inclusief de kosten voor de shuttle die ons naar de terminal brengen zal. Duuuussss de planning is als volgt: met de taxi naar het agentschap, van daar om kwart over tien met de shuttle naar de terminal en dan met de bus naar Cuenca. Ongeveer 470 km, reistijd 8 uur. We vertrekken om 23.00 uur en slapen dan in de bus.
We hebben vandaag met Jessy een afspraak om samen in het park met het prachtige uitzicht te gaan picknicken. Ze zou om 10.00 uur komen, maar rasechte Ecuadoraanse dat ze is, arriveert ze om half twaalf. Vind ik geen probleem, want ik heb een hele kluif aan de blog, zoals jullie gisteren wel gemerkt hebben. Carmen heeft een heerlijke guacamole gemaakt met tomaat, ui, limoen en een beetje zout. Ik ben blij, dat ik nu een lekker recept heb! Het geheim is echter, dat je de pit in de spread laat liggen, zo wordt ie niet zo snel bruin. Geldt ook, als je een halve avocado wilt bewaren: gewoon de pit erin laten!
Vandaag gaan we naar Otavalo. Vanaf Quito is dat het een reis van 2 uur, maar om bij het busstation te komen, neemt al ongeveer een uur in beslag. Het is half negen in de ochtend als we naar de trolley-halte lopen. Vroeg in de ochtend dus, maar de zon staat al zo hoog, als het bij ons ’s middags midden in de zomer nog niet het geval is. Dat is best een vreemde gewaarwording. Op het busstation zoeken we het loket, waar je tickets voor de bus naar Otavalo kunt kopen. Elke trip heeft een eigen loket en de mannen, die de kaartjes verkopen prijzen uit hun loket hun bestemming aan, alsof ze op een marktkraam staan. Lol. “Misschien zijn veel mensen nog analfabeet en kunnen niet lezen wat er boven het loket staat” opper ik. Dat lijkt ons een logische verklaring. (intussen even gegoogeld: “Ongeveer 14% van de volwassen bevolking is analfabeet, maar op het platteland en onder de indiaanse bevolking ligt dit percentage aanzienlijk hoger.”)
We rijden door nachtelijk Quito al dansend op heerlijke muziek. Dat is wel wennen en in het begin hou ik me dan ook aan het touw, dat onder het plafond gespannen is, of aan een van de stangen vast. In de loop van de rit durf ik los te laten. Als de bus stopt is het zaak, om je zo snel mogelijk weer vast te pakken. Af en toe drukt de dj iemand een plastic fles met warme “Candelasso” in de hand, een zoet, sterk drankje, dat dan onder de dansende jongelui verdeeld wordt. Iedereen krijgt een klein plastic bekertje. Maar je kunt je wel voorstellen, dat dat drankje regelmatig over de rand van de beker zwiept, zeker als je bedenkt dat de straten van Quito vol gaten en hobbels zit. Naast de moeilijkheid om dansend in de hobbelende bus verticaal te blijven, dient zich nu het probleem van een glibberige vloer aan. Maar geloof het of niet, ik ga niet één keer onderuit. De bus is open, er is alleen een soort van traliewerk aan beide zijden, achter is hij helemaal open. Dat is heerlijk, omdat er zodoende frisse lucht binnenkomt. Toch krijg ik het al snel zo warm, dat ik mijn jasje uit doe. Tijdens het dansen kun je genieten van het prachtige Quito met zijn verlichte kerken en prachtige gebouwen.