‘T is weer zo ver: het pinksterweekend staat weer voor de deur. En dat betekent: familiereunie; kamperen, gezelligheid, lekker drinken en eten – in die volgorde van belangrijkheid – aan het vuurtje zitten en volleyballen.
Maar voordat het zover is: veel werk en gestress en: de jaarlijkse echtelijke ruzie. “Zo, die staat. Ik vind het prima zo” zegt m’n hus. Uitdagend kijkt hij mij aan. Inderdaad ja, hij staat: Midden op de plek, met twintig meter erachter en pal voor de zandbak. “Beter krijgen we hem niet”. Oké, daar gaan we weer! Ik probeer niet eens meer geduldig te blijven. Na 30 jaar samen kamperen heb ik die taktiek opgegeven. Gelijk knallen maar: ” Nee, zeg ik op zo’n irritante manier, je weet wel, half snuivend van verontwaardiging. “Zo ga ik hier écht niet staan! Hij moet véél verder naar achteren!” “Nou, Dan wacht je maar lekker tot je vader er is. Ik ga naar werk!” Nou, hij gaat maar! Ik vind ’t prima. Maar hij gaat niet en de caravan komt keurig op de plek te staan, zoals ik het wil. Eigenwijs? Hoe kom je erbij!
De luifel is peace of cake en het weer is heerlijk. Ik heb er zin in. In de loop van de dag druppelen wat familieleden binnen. Vannacht nog thuis slapen en dan kan het feest beginnen.
